Op een helse expeditie

Jacob Roggeveen was een koppige en moedige ontdekkingsreiziger. Hij liet weinig na, maar er is genoeg voor een mooi reisverhaal over zijn grootste gruweltocht.

Op zoek naar het mythische Onbekende Zuidland kreeg de bemanning van drie Nederlandse schepen in 1722 met Pasen een eiland in zicht. Er waren rookpluimen te zien, dus kennelijk werd het bewoond. Maar het stond op geen enkele kaart en daarom noemde de expeditie-leider, de Zeeuw Jacob Roggeveen, het Paaseiland. Spoedig kwam een bootje op de schepen af met daarin een schreeuwende, naakte man met tatoeages en een sikje. Toen hij aan boord werd gehaald scheen alles hem te verbazen. Hij schrok toen hij in het spiegeltje keek dat hem werd aangereikt.

Het was een onwennige confrontatie. De Europeanen gaven de man een stuk zeildoek voor om zijn middel, in de veronderstelling dat hij zich wel zou schamen om zijn naaktheid. Toen de schepen voor anker gingen bleken de eilandbewoners wel degelijk gekleed te gaan, en nog fraai ook. Ze klommen massaal aan boord. Ze brachten kippen en bananen mee, maar ze grepen alles wat los zat. En toen de Nederlanders aan land gingen probeerden ze een geweer van een van de matrozen af te pakken. Daarop werd in paniek geschoten: onder de slachtoffers was de man met het sikje.

Desondanks vond er nog een vreedzame uitwisseling plaats: spiegels en kralen werden geruild tegen nog meer kippen en bananen. Er werden ook vrouwen aangeboden, maar die hadden oren tot op hun schouders, en de ontdekkingsreizigers vertrokken weer schielijk, om verder te zoeken naar het Onbekende Zuidland, het ‘aards paradijs’.

Naar het aards paradijs – deel vier van de onvolprezen ‘Sleutelfiguren’-reeks van het Prins Bernhard Cultuurfonds – is helaas geen reisverhaal, maar een biografie van Jacob Roggeveen, de man achter de expeditie. Niet dat Roggeveen geen intrigerende figuur is, maar er is te weinig over hem bekend om hem werkelijk tot leven te laten komen. Roelof van Gelder, zijn biograaf, heeft bewonderenswaardig veel over hem opgespoord, maar hij heeft toch niet in alle leemten kunnen voorzien, en vooral het gebrek aan persoonlijke documenten wreekt zich. Daardoor komen we niet te weten hoe de hoofdpersoon zelf over zijn leven dacht.

Jacob Roggeveen wordt opgevoerd als een intelligente jurist uit Middelburg, die overal waar hij zich vertoonde in de problemen kwam door dwars gedrag. Hij sloot zich aan bij een tegendraadse religieuze groepering, de ‘hattemisten’, die meende dat het leven eerder als een lust dan als een last moest worden beschouwd en daarom natuurlijk fanatiek werd bestreden door orthodoxe dominees.

Helderheid

Het religieuze gedachtegoed van de hattemisten (volgelingen van de onrechtzinnige theoloog Pontiaan van Hattem) blonk niet uit in helderheid, en je krijgt wel eens de indruk dat het Roggeveen vooral ging om de tegendraadsheid. Hij schepte kennelijk een genoegen in het bekvechten met predikanten die Van Hattem verwensten als een ‘een addergebroedsel die uijt de hel voortgekomen was, waardig om tusschen vier muuren gemetselt te worden’.

Roggeveen was berucht genoeg om te figureren in pamfletten, en in een daarvan werd een liaison vermeld met een vrouw, die bekend stond om haar vele minnaars. Nadat zij door haar vader was uitgehuwelijkt vertrok hij naar Indië. Daar kreeg hij een hoge post, raad van justitie, maar zijn verblijf ontaardde in een aaneenschakeling van ruzies.

Terug in Middelburg ging hij het woord van Van Hattem publiceren. Volgens zijn vijanden schaarde hij zich daarmee onder de lieden die diens ‘gulzig opgeslobbert uitspouwsel weder uitgulpen’– wat weer leidde tot een eindeloze woordenstrijd met vertegenwoordigers van de kerk, en tenslotte tot verbanning uit de stad.

In 1720, toen hij al zestig was, kwam hij met het plan om een expeditie op touw te zetten naar het Onbekende Zuidland, een nog niet gevonden continent dat midden in de Stille Zuidzee moest liggen. Het was een oud plan, al ontwikkeld door zijn vader, maar in 1720 achtte Jacob Roggeveen de tijd rijp. 1720 was het jaar van de zeepbellen, van de ongeremde windhandel in aandelen in nieuwe compagnieën met grootse commerciële plannen. Roggeveen probeerde vergeefs in de stroom mee te liften, maar slaagde er ten slotte in om de West-Indische Compagnie voor zijn project te interesseren. In de zomer van 1721 vertrok hij, met drie schepen richting Stille Zuidzee.

Waarom waagde een vermogende, zestigjarige jurist zich aan een dergelijk avontuur? Misschien omdat hij het zijn vader op diens sterfbed had beloofd. Misschien wilde hij wel een hattemistische kolonie stichten, of wellicht wilde hij bij zijn triomfantelijke terugkeer gewoon een lange neus kunnen maken in de richting van de predikanten en regenten die hem hadden vernederd. Welke precies zijn drijfveren waren, blijft onbekend, maar zodra hij op weg gaat wordt het verhaal plotseling veel levendiger. De reis wordt prachtig beschreven, en kent zoveel heroïek en tragiek dat je als lezer geneigd bent om Roggeveen de rest van zijn leven te vergeven.

Van de plaats waar het Onbekende Zuidland zou kunnen liggen bestond alleen een vermoeden, en onderweg bleken alle bestaande kaarten en reisverslagen onbetrouwbaar. De tocht naar de Stille Oceaan duurde maanden en aan boord kon elk ogenblik de vlam in de pan slaan. Toen matroos Martinus van Gelder zich in de eerste weken vergreep aan een vat brandewijn en daarna de wangen van de kok met een mes bewerkte, greep Roggeveen meteen hard in. Van Gelder werd voor straf driemaal vanaf de grote ra in zee geworpen, daarna langdurig met een stuk touw en de eerste keer dat de schepen aan land gingen, op het eiland Sao Sebastiano, werd hij achtergelaten.

Tegen de tijd dat Paaseiland werd ontdekt, begon het bange vermoeden post te vatten dat het Onbekende Zuidland helemaal niet bestond. Vervolgens ontaardde de expeditie langzaam maar zeker in een helletocht. Toen na een maand zeilen over de eindeloze oceaan, zonder aanknopingspunten, weer land in zicht kwam, was de vreugde van korte duur. Nog voor het was bereikt liep een van de schepen op de rotsen. De bemanning werd verdeeld over de twee andere schepen, op vijf deserteurs na, die liever achterbleven op het atol, het ‘Schadelijke Eiland’ gedoopt.

Schadeloos

Er bleken nog veel meer schadelijke eilanden in de buurt te liggen, die alweer op geen kaart waren te vinden, maar Roggeveen en de zijnen wisten die verder schadeloos te passeren. Wel met steeds minder voedsel en drinkwater, want het bleek onmogelijk om bij de eilanden voor anker te gaan. Het lukte nog wel een keer om met sloepen op een bewoond eiland aan land te komen en spiegels en kralen te ruilen voor groenten en kokosnoten.

De schepen voeren wederom voort, weken lang, duizenden kilometers verwijderd van het vasteland. De omstandigheden aan boord werden nu erbarmelijk. De bemanning werd gekweld door honger, dorst en scheurbuik. Tanden vielen uit, op de huid verschenen overal bulten, onder de huid werden steeds meer botten zichtbaar. Sommige mannen trokken krom en konden zich alleen nog kruipend voortbewegen. Dagelijks gingen er mannen dood. De stank die de doden en zieken verspreidden werd ondraaglijk.

Voortzetting van de expeditie was geen optie, en Roggeveen besloot af te stevenen op het verboden territorium van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, waarvan wél betrouwbare kaarten bestonden en waar verversingen te halen zouden zijn. Maar wat hij vreesde gebeurde: toen de schepen Nieuw-Guinea bereikten werd de VOC gealarmeerd en bij aankomst in Batavia werd de verwilderde Roggeveen meteen gearresteerd. Ondanks scherp geformuleerde protesten werd hij behandeld als de eerste de beste piraat: de schepen werden geconfisqueerd en de bemanningsleden op een schip naar Nederland gezet, inclusief de verongelijkte Roggeveen. In Nederland werd hij niet, zoals hij ooit moet hebben gedroomd, ontvangen als de nieuwe Columbus. Niemand wachtte hem op. Het enige bericht dat hij kreeg was dat zijn broer, die de expeditie samen met hem had voorbereid, die week was overleden. Hij kon de volgende dag nog net naar de begrafenis.