Onzeker

Ik moet een jaar of negen geweest zijn toen ik mijn moeder vroeg of mijn onzekerheden wel zouden afnemen als ik op een dag zo oud zou zijn als zij. Ik was overtuigd van wel, wat durfden de grote mensen! En zo zeker van henzelf! Ik kon niet wachten om ouder te worden, maar mams zei: ‘Nee, ik geloof van niet.’

Haar antwoord was een klap in mijn gezicht. Ik had op het schoolplein al lang geleerd dat mens zijn een vermoeiende aangelegenheid is: in alles wat ik deed, schipperde ik tussen het verlangen erbij te horen en het verlangen me te onderscheiden.

Zo kwam ik op een dag het schoolplein op in een oude Levi’s van mijn zus waarin mijn moeder aan de onderkant van die rood-witte cowboysjaaltjes had gestikt. De jeans sneed hout aan beide kanten: ik onderscheidde me met de sjaaltjes en in mijn Levi’s hoorde ik erbij. Maar een week later onderscheidde ik me zo erg in een grijsroze, gestreepte wortelbroek dat ik er weer alleen voor stond. Alleen op de wereld. Alleen met mijn onzekerheden. Ik was onzeker over alles waar je maar onzeker over kunt zijn en daarbovenop was ik ook nog onzeker over het onzeker zijn.

‘Je bent onzeker he? Haha! Je bent onzeker!’

Zou ik hier dan nooit van verlost worden? Ondertussen heb ik tot mijn grote genoegen geleerd dat onzekerheden wel degelijk afnemen. Tenminste, ze veranderen van karakter. De schoolpleinonzekerheden waarin de blik van de ander voldoet om je te vernietigen, zijn een gelukkige dood gestorven en hebben plaatsgemaakt voor nuttigere onzekerheden, die je, als je goed met ze omgaat, om kunt vormen in een prettige portie empathie, ambitie, een kritisch oog en dat heerlijke vermogen om jezelf niet al te serieus te nemen. Daar ben je gelukkig toch te onzeker voor.