Koopgoot als filosofisch baken

Kunstenaar Melle Smets woont in een tent op Hoog Catharijne. Hij loopt rond en maakt radio over de mall die in 1972 vol idealen is gebouwd.

Kunstenaar M. Smets kampeert op Hoog Catharijne en maakt er radio-opnames. Foto Freek van den Bergh

In het grind op het dak van het winkelcentrum Hoog Catharijne heeft kunstenaar Melle Smets zijn tent opgeslagen. Op de grond ligt een kartonnen bord met de handgeschreven tekst: „Help Homo Ludens”. Achter de tent rijst een woonflat op.

Smets (37) wijst naar een bord achter een raam, ver boven zijn tent, waarop hij wordt uitgenodigd kennis te komen maken. „20 uur ap. 120.” Smets: „Natuurlijk ben ik langsgegaan! Drankje drinken, babbeltje maken.”

Want dat is wat Smets hier overdag doet: gesprekken voeren met mensen in het winkelcentrum. ’s Nachts slaapt hij in zijn tentje, de ‘Albatros-junior’, hetzelfde model als waarin schrijvers Godfried Bomans en Jan Wolkers meer dan veertig jaar geleden sliepen tijdens hun verblijf op het eiland Rottummerplaat.

Net als de twee schrijvers, maakt Smets audio-opnamen van zijn verblijf. Daarmee creëert hij een kunstwerk dat in juni onderdeel is van de kunstmanifestatie Call of the Mall, te zien in en rond het Utrechtse winkelcentrum. Maar anders dan Bomans en Wolkers is Smets niet omgeven door natuur, maar door muzak, beton, mensen en eten – veel vet eten.

„Er is in deze dagen al heel wat homo ludens bijgekomen”, zegt hij, terwijl hij zijn buik een klopje geeft.

Homo ludens – spelende mens – refereert aan de utopische gedachten van kunstenaar Constant Nieuwenhuys, die de term van historicus Johan Huizinga leende. Constant had een visie van ‘New Babylon’, een stad van de toekomst, waarin de nieuwe, creatieve mens bevrijd zou zijn van aardse beslommeringen. Smets stelt zichzelf de vraag of hij tijdens zijn verblijf tussen het beton die idealen nog kan terugvinden.

„Het blijkt dat die vraag nog niet zo makkelijk te beantwoorden is”, zegt Smets. „Het paradoxale is dat het verzet tegen Hoog Catharijne al vanaf het begin kwam van de tegenbeweging, van linkse revolutionairen. Terwijl de ontwikkelaars het project juist hadden weten te verkopen met de idealen van Nieuwenhuys.” Begrijpelijk: als je Nieuwenhuys leest, is dit wat hij voorstelt. Een wereld waar het nooit meer winter is, met alles erin: een jaarbeurs, garage, hotels, woningen, winkels, bioscoop en zelfs een theater.

„Maar natuurlijk pakte de werkelijkheid anders uit. ‘Spelende mensen’, dat bleken junks en zwervers. Toen individuele zelfontplooiing en criminaliteit door elkaar gingen lopen, heeft de politie plekken afgesloten. Er kwam een realistische correctie op het utopische wereldbeeld van Nieuwenhuys en de zijnen.”

Maar dat wil niet zeggen, meent Smets, dat mensen nu louter cynisch zijn. Om dat te illustreren wijst hij naar een klein groententuintje op het dak, in de buurt van zijn tent. „Gelukkig willen we altijd weer wat.” En hij vertelt over een bewoner van Hoog Catharijne, in een van de woningen boven de winkels, die ontzettend gelukkig is met de plek. „Een mall rat. Zo noemt hij zichzelf.”

Smets: „Natuurlijk is er hier alom verwording, maar het leven is verwording: je verbouwt je huis en binnen een week zit er weer ergens een buts. Dat is ook geruststellend, het maakt dingen normaal, menselijk. Tegelijk denk ik de ideologische pieken goed zijn waarin dit complex werd bedacht én bekritiseerd. Die pieken dwingen ons na te denken over hoe we willen leven. Wie we zijn en willen zijn. Dat de komende radicale verbouwing er zonder slag of stoot komt, vind ik eigenlijk verontrustender dan de illusies waarmee dit complex veertig jaar geleden van de grond kwam.”

Melle Smets is een innemende man die eenvoudig contact maakt. Alleen met de beveiliging verloopt de omgang nog stroef. „Die denken toch: die gast doet de hele dag niets. Is dat kunst? Maar sinds ik ze verteld heb dat ik radio maak, gaat het contact al wat gemakkelijker. Zo lieten ze me vanmorgen een douche nemen. Een koude douche, dat wel, maar mij hoor je niet klagen.”