Eens was ik een mens

Met Goede mensen publiceert de jonge Nir Baram als eerste moderne Israëlische auteur een roman over de terreur onder Hitler en Stalin. Zo magistraal dat het boeken van Varlam Sjalamov en Vasili Grossman naar de kroon steekt.

De wereldliteratuur is verrijkt met een grootse roman. De schrijver ervan woont in Israël, is geboren in 1976, heet Nir Baram en mag zich met één klap een waardig opvolger noemen van zijn beroemde literaire landgenoten Amos Oz en A.B. Yehoshua.

Goede mensen, de roman waarop ik doel en waarmee Baram zijn overtuigende entree in Nederland maakt, is zijn vierde roman. Het boek is zo trefzeker, realistisch en mooi, dat het, als je het uit hebt, blijft nagalmen en alle doorbakken opvattingen over goed en fout clichés zijn geworden.

Met Goede mensen heeft Baram als eerste moderne Israëlische auteur een roman geschreven die zich op de ‘daders’ in het Duitsland van Hitler en het Rusland van Stalin richt. Die ‘daders’ zijn twee gewone mensen die, zonder dat expliciet te willen, medeplichtig worden aan de staatsterreur in hun landen en uiteindelijk aan gewetenswroeging ten onder gaan.

Het is een thema vol valkuilen, waarbij het gevaar op de loer ligt dat het literaire aspect verdrongen wordt door het historische en de schrijver in een mijnenveld vol morele clichés belandt. Niet voor niets zijn alleen ooggetuigen zoals Imre Kertész, Curzio Malaparte, Varlam Sjalamov of Vasili Grossman erin geslaagd om van de verschrikkingen onder Hitler en Stalin echte literatuur te maken. Jonathan Littell is met De welwillenden een zeldzame uitzondering. Maar Nir Baram heeft hem nu overtroffen.

Aan Grossmans magistrale ‘oorlogsroman’ Leven en lot moest ik tijdens het lezen van Goede mensen voortdurend denken. Het heeft dezelfde beklemmende sfeer van verraad en naderende ondergang, dezelfde afwisseling van hoofdstukken die zich in het Derde Rijk en Stalins Sovjet-Unie afspelen. Ook wekt het boek tijdens het lezen net zo’n beangstigend besef op van ‘zo gruwelijk en tegelijkertijd gewoon moet het echt zijn geweest’. En precies daardoor vraag je je bij Goede mensen voortdurend af hoe je je zélf zou hebben gedragen onder de extreme omstandigheden van die tijd, waarin velen met niets anders bezig waren dan het redden van het vege lijf.

In zijn dankwoord achterin Goede mensen vermeldt Baram dat hij advies heeft ingewonnen bij een aantal Duitsland- en Ruslandspecialisten en zich heeft laten rondleiden in de steden waar zijn boek zich afspeelt. Vanaf het begin waan je je daardoor bij hem in die vergane wereld van toen en ben je op een literaire manier ooggetuige van de verschrikkingen die zich er afspelen. Je ziet bijna de rook uit de brandende synagoges tijdens de Kristallnacht opstijgen, je hoort het gebral van de plunderende SA’ers, ziet het bloed aan de laarzen van de SS’ers die in het getto van Lublin de beest uithangen, ruikt de geur van gekookte kool in Leningradse appartementen, en wilt wegduiken bij het mitrailleurvuur van een aanstormende Messerschmitt in de vesting van Brest. Dankzij zulke eigenschappen fascineert Goede mensen van begin tot eind.

Baram, die over een grote kennis van de Duitse en Russische klassieke literatuur lijkt te beschikken, begint zijn roman op nietsvermoedende toon in Berlijn op 9 november 1938, enkele uren voor het begin van de Kristallnacht. Vervolgens voert hij je, vijfhonderd bladzijden lang, via het spookachtige Leningrad van het moordjaar 1938 en het door de nazi’s bezette Polen naar het Bretonse Brest tijdens de Duitse inval in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941. In Brest komen de twee door Baram geschetste werelden en hoofdpersonen samen. Hier voltrekt zich de uiteindelijke Götterdämmerung, die zich in gruwelijkheid kan spiegelen aan Grossmans hoofdstukken over de Slag bij Stalingrad en aan W.F. Hermans’ Het behouden huis.

Al die tijd verzwakt de literaire betovering van Goede mensen geen moment, zo knap weet Baram de morele corruptie van zijn twee hoofdpersonen te verbeelden die dan ook geen moment aan geloofwaardigheid verliezen. Dat komt met name doordat hij hen niet als overtuigde beulen neerzet, maar als gewone stervelingen en opportunisten, die, anders dan wij in 2012, niet weten hoe de gebeurtenissen zich zullen ontwikkelen en hoe het afloopt met Hitler en Stalin.

Ze leven bij de dag onder regimes waarvan ze zich niet kunnen voorstellen dat die eindig zijn. Evenmin laten ze tot zich doordringen hoe groot de gevolgen van hun handelen zijn voor de levens van anderen – empathie is nu eenmaal zeldzaam in tijden van survival of the fittiest. Ze zijn vandalen geworden in een tijd die dat toestaat, om de eenvoudige reden dat ze zich laten leiden door factoren waar ze geen greep op hebben, zoals angst om het eigen lot, ingehamerd plichtsbesef en tomeloze ambitie. Als Barams ‘helden’ na verloop van tijd eindelijk beseffen wat ze hebben gedaan, is het te laat.

In zijn beschrijvingen van die angst om het eigen lot blinkt Baram uit, met name in zijn hoofdstukken over de intelligentsia in Leningrad, die levensecht zijn. In een prachtige passage beschrijft hij hoe de meeste Russen in de dagen van de Grote Terreur dagelijks wakker moeten zijn geworden: ‘In de schemering van het eerste ontwaken haastten ze zich, ademloos, naar de krochten van de herinnering: de laatste mensen die ze hadden ontmoet, hadden ze iets tegen hen gezegd? Hadden ze kritiek geuit? Hadden ze misschien niet genoeg bezwaar gemaakt tegen de kritiek van anderen? In hun bewustzijn flakkerden de gezichten op van vijanden en vrienden, en kwam ook de vrees op die altijd brandde: degene in de zwarte auto’s [van de geheime politie] wisten het.’

Behalve in de memoires van Nadjezjda Mandelstam, de weduwe van de onder Stalin omgekomen dichter Osip Mandelstam, in Grossmans magnum opus of in Joeri Trifonovs roman Het huis aan de kade, heb ik die sluipende en permanente angst die de inwoners van de Sovjet-Unie decennialang achtervolgde omdat ze dachten dat iedereen een verrader kon zijn, niet eerder in een literair werk zo raak verwoord gezien.

Barams antihelden zijn de jonge, ambitieuze Berlijnse marketeer Thomas Heiselberg, zoon van een ex-frontsoldaat die boven zijn stand is getrouwd, en de even oude Russische Jodin Alexandra Vajsberg, dochter van een beroemd kernfysicus in Leningrad. Beiden worden door politieke en sociaal-economische omstandigheden in hun landen medeplichtigen van de beulen die het voor het zeggen hebben.

Thomas wordt ook geleid door zijn grenzeloze ambitie. Als hij zijn baan verliest, doordat het Amerikaanse marketingbureau waar hij carrière maakt zich terugtrekt uit Duitsland, en ook zijn bejaarde moeder sterft, nadat de nazi’s tijdens de Kristallnacht haar huis zijn binnengedrongen en haar Joodse dienstmeisje hebben vermoord, treedt hij in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Te midden van deftige diplomaten, die vaak niets met de nazi's te maken willen hebben maar net als hij de glorie van hun vaderland als het grootste goed beschouwen, ontwikkelt hij met veel enthousiasme marketingmodellen, die de Duitse troepen kunnen instrueren hoe ze met de bevolking van het inmiddels bezette Polen moeten omgaan. Die modellen worden door de nazi’s bejubeld en maken van Thomas een beroemd man. Het Model van de Poolse nationale mens wordt vervolgens gebruikt om de Poolse intelligentsia en de Joden uit te roeien.

In het bezette Lublin ziet Thomas op een nacht voor het eerst hoe een groep Joden uit het getto wordt gedeporteerd. Naakt, kermend en door honden opgejaagd lopen ze onder zijn raam door. Van schrik sluit hij de gordijnen en wendt zich af. Het is een afwenden om zijn ambities niet door de werkelijkheid te laten verstoren. Zo laat Thomas zich steeds verder door zijn ijdelheid op sleeptouw nemen, zonder ooit in de ideologie van de nazi’s te geloven. Precies zo moet het miljoenen Duitsers zijn vergaan.

De waarheid dringt zich op wanneer Thomas er in maart 1941 in Lublin getuige van is hoe een paar Poolse politiemannen in het getto een Joodse bibliothecaresse doodtrappen. Hij probeert tussenbeide te komen en van zijn hoge positie gebruik te maken om de vrouw te redden. Maar het is tevergeefs. Wel beseft Thomas op dat moment in wat voor val hij is getrapt.

Alexandra Vajsberg is een al even intrigerend personage. Wanneer haar ouders – leden van een Leningradse groep intellectuelen en kunstenaars die kritiek hebben op Stalin – worden gearresteerd en naar Siberische strafkampen gestuurd, laat ze zich door een vroegere jeugdliefde, die carrière in het repressiesysteem heeft gemaakt, ronselen door de NKVD, de geheime politie. Op die manier hoopt ze haar eigen leven en dat van haar twee tienerbroers te kunnen redden, die na de arrestatie van hun ouders naar heropvoedingsinstellingen zijn gestuurd en uiteindelijk als soldaat aan het front zullen belanden.

Als ‘redacteur’ bij de NKVD moet Alexandra alle gearresteerde vrienden van haar ouders begeleiden bij het opstellen van aannemelijke bekentenissen. Ze maakt zichzelf wijs er op die manier voor te kunnen zorgen dat ze minder zwaar gestraft worden. De gedachte over wat er met de door haar inspanningen veroordeelde mensen gebeurt schuift ze van zich af, omdat ze weet dat ze anders in een depressie zal wegzinken. Maar ook zij komt er uiteindelijk achter waar ze mee bezig is en ook zij gaat ten onder.

Aan de hand van Thomas en Alexandra laat Baram zien waartoe gewone mensen in staat zijn. Het resultaat van hun handelen is zo langzamerhand bekend, want het is van alle tijden en herhaalt zich keer op keer. Maar juist dat maakt Goede mensen tot zo’n veelzeggende, belangrijke en originele roman, die je niet ongelezen mag laten als je de duistere kanten van het leven wilt begrijpen.