Een bedorven feest

Beter laat dan nooit: vlak voor het op 1 januari 2013 opgaat in het nieuwe Instituut voor architectuur, vormgeving en e-cultuur, laat het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) 250 van de pronkstukken uit zijn archief zien in het rijk geïllustreerde, monumentale Nederlandse architectuur in 250 topstukken. Toch is NAi-directeur Ole Bouman in zijn inleiding, ‘Hommage aan de architectuur’, niet in een feeststemming. Zijn artikel is eerder een grafrede.

Het respect voor de architectuur is aan het verdwijnen, stelt Bouman vast: ‘Anno 2012 is architectuur een vak aan het worden waar zelfs een beetje meewarig over wordt gedaan’. De bouwkunst lijkt aan een implosie bezig, voegt hij eraan toe. Niet alleen houdt het NAi na 25 jaar op te bestaan als zelfstandig instituut, ook verschillende andere instellingen op het gebied van de architectuur ‘bevinden zich in een proces van opheffing, bezuiniging, fusie, heroriëntatie of hebben dat al achter de rug.’ Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordering, decennialang verantwoordelijk voor de wereldberoemde Nederlandse woningbouw, werd twee jaar geleden al opgeheven. Welstand, het overheidsinstrument om architectonische kwaliteit te stimuleren, wordt door de overheid zelf belachelijk gemaakt, zo sombert hij verder, en een architectuurbeleid bestaat nauwelijks meer. Vreemd genoeg laat hij de economische crisis, die bijna de helft van de architecten werkloos heeft gemaakt, ongenoemd.

Nederlandse architectuur in 250 topstukken is dan ook mede bedoeld om nog eens de ‘noodzaak van architectuur’ duidelijk te maken. Wat illustraties betreft is dit zeker gelukt. De meer dan 1000 tekeningen en foto’s in kleur en zwart-wit – van veel ontwerpen zijn verschillende beelden opgenomen – zijn een feest. Ze geven niet een chronologisch overzicht van de 19de- en 20ste-eeuwse Nederlandse architectuur, maar zijn geordend aan de hand van zes thema’s, waaronder ‘experiment’, ‘sober’ en ‘maakbaar’.

Bekende ontwerpen uit de moderne Nederlandse architectuurgeschiedenis, zoals het Rijksmuseum en de Beurs van Berlage in Amsterdam en de Kuip en de Kunsthal in Rotterdam, ontbreken uiteraard niet, maar er staan ook veel verrassingen in het boek. Zoals het ontwerp voor een badmuts dat H. Th. Wijdeveld in 1932 maakte en een ontwerp voor een doodgewoon rijtjeshuis in Barendrecht van W. Wissing uit 1962. Ook de bierfles als bouwsteen, die N.J. Habraken in 1962 ontwierp naar een idee van biermagnaat Alfred Heineken, heeft een plaats gekregen.

Maar het feest van de illustraties wordt bedorven door de zes artikelen die verschillende conservatoren van het NAi hebben geschreven over de thema’s en hun uitgebreide bijschriften bij de illustraties. Zo verrassend als hun keuze uit het immense NAi-archief is, zo stijf en schools zijn hun teksten. Ze bevestigen de clichés over de Nederlandse architectuur en bieden geen enkel nieuw inzicht.

Ook zijn de artikelen soms in tegenspraak met de illustraties. Zo beklemtoont Hetty Berens in haar artikel dat soberheid een belangrijke eigenschap is van de Nederlandse architectuur. Maar verschillende ontwerpen die onder het thema ‘sober’ zijn geschaard zijn verre van bescheiden. Het gebouw De Bazel in Amsterdam, zoals het door K.P.C. de Bazel ontworpen hoofdkantoor van de Nederlandsche Handelmaatschappij in Amsterdam uit 1926, kan bijvoorbeeld onmogelijk sober worden genoemd. En ook de ‘Abstractie van architectuur’ van het De Stijllid Theo van Doesburg uit 1923 is niet eenvoudig. Zeker, de rechthoekige vlakken in primaire kleuren die Van Doesburg in dit papier gebleven ontwerp gebruikt, zijn op zichzelf doodsimpel, maar samen vormen ze een complex, bijna ondoorgrondelijk geheel.

Bovendien wordt het boek soms ontsierd door curieuze beweringen en fouten. Zo was, anders dan Ellen Smit beweert in een bijschrift bij een presentatietekening voor een schilderijenzaal van J.D, Zocher, de neogotiek in 1843 beslist niet ‘een stijl die niemand serieus neemt’. In Londen was drie jaar eerder de bouw van de gigantische, nieuwe Houses of Parliament in neogotische stijl begonnen en de hoogst ernstige Duitse architect Karl Friedrich Schinkel die verschillende neogotische gebouwen in Berlijn had gebouwd, was al twee jaar dood. En in de jaren vijftig van de 20ste eeuw lagen er nog geen mensen te slapen op het door J.J.P Oud ontworpen nationaal monument op de Dam in Amsterdam. De Damslapers verschenen daar pas in de tweede helft van de jaren zestig, toen Amsterdam een van bolwerken van het internationale hippiedom werd.