De stof van dagdromen

Kees ’t Harts nieuwe, spannende roman is een geraffineerde hommage aan Alfred Hitchcock. Auteur en hoofdpersoon fantaseren er heerlijk op los.

De roman Hotel Vertigo van Kees ’t Hart is een fantastisch eerbetoon aan filmregisseur Alfred Hitchcock en een lofzang op de verbeelding. Een terugkerend en herkenbaar thema in het werk van ’t Hart is het onvermogen om in aanraking te komen met de wereld waar je bij wilt horen, met de mensen die je bewondert. Een effectieve manier om die contacten toch te leggen is ze te verzinnen, erover te dromen.

Apothekerszoon Vincent van Zandt is zeventien en woont in Nijmegen waar hij zich te pletter verveelt. We schrijven 1957. Uitgaan is er niet bij, behalve een keer naar de bioscoop voor Hitchcocks Rear Window. Daarin ziet een man in een appartement aan de overkant iemand een moord plegen. Niemand gelooft hem, maar uiteindelijk blijkt het de waarheid te zijn. Deze film prikkelt de fantasie van Vincent. Om aan zijn saaie werkelijkheid te ontsnappen verliest de teruggetrokken gymnasiast zich in een waanzinnige dagdroom.

Of is het echt gebeurd dat hij – na via een uitwisselingsprogramma voor scholieren in San Francisco te zijn beland – Hitchcock himself ontmoet en als manusje van alles meewerkt aan diens in 1957 opgenomen film Vertigo? Een ongelooflijk verhaal, dat uiteindelijk waar blijkt te zijn, tenzij de ontknoping – vijftig jaar later – ook weer inbeelding is. Maar doet dat er toe? Niet voor Vincent, die zijn hele leven op zijn inspirerende fantasieën heeft kunnen teren. En ook niet voor de lezer, die in een soort 3 D versie van Vertigo belandt: we krijgen interpretaties van en achtergronden bij Hitchcocks film en de uitwerking ervan op een ontvankelijke kijker. In wezen gaat Hotel Vertigo over de stof waarvan (dag)dromen gemaakt zijn.

Vincent lijkt een jeugdig alter ego van ’t Hart. Maar anders dan zijn vorige Amerikaanse roman De krokodil van Manhattan (2006) waarin de hoofdpersoon Kees ’t Hart heette, is Hotel Vertigo niet autobiografisch. Hoofdpersoon Vincent van Zandt is vier jaar ouder dan de in 1944 geboren ’t Hart (hij moet immers oud genoeg zijn om in 1957 in San Francisco rond te schuimen) en in plaats van een studie Nederlands in Amsterdam, zoals de schrijver volgde, kiest Vincent (geïnspireerd door Hitchcocks opvattingen over gebouwen) voor bouwkunde in Delft. Toch zijn er ook sterke overeenkomsten tussen auteur en personage. Beiden groeien op in Nijmegen, beiden creëren een opwindende droomwereld die hun alledaagse werkelijkheid leefbaar maakt.

In Vincents leven lopen droom en werkelijkheid geruime tijd door elkaar, soms lopen ze in elkaar over. Dan krijgt hij last van ‘vertigo’, duizelingen veroorzaakt door hoogtevrees of – overdrachtelijk – door de angst los te raken van de werkelijkheid. Het lijkt erop dat hij een pathologische fantast is, soms denkt hij dat zelf ook en is hij is als de dood dat zijn omgeving hem een opschepper vindt. Hij lijdt aan de angst die Hitchcock in zijn films verbeeldt: om te hoog te vliegen, om diep te vallen, om ontmaskerd te worden.

De roman begint in 2008 als de inmiddels 68-jarige Vincent in San Francisco aankomt voor een architectenseminar. Uiteraard verblijft hij in Hotel Vertigo, het vroegere Hotel Empire waar zich een sleutelscène uit Vertigo afspeelt. Alles in het hotel is erop gericht de gasten het gevoel te geven dat zij zelf een rol in die film spelen, sterker: dat zij zich op de set bevinden. De receptionist kleedt zich precies als de aan hoogtevrees lijdende hoofdpersoon Scottie (James Stewart) en op de stoep voor het hotel doet een als Kim Novak in haar rol van Judy uitgedoste prostituee goede zaken. Ook Vincent maakt een nacht van haar diensten gebruik. Aan haar en aan de receptionist vertelt hij het doel van zijn komst. Hij is op zoek naar het meisje Lee Jones, met wie hij in 1958 in de second unit (een technisch team dat locaties filmt) voor Vertigo werkte.

Indertijd had de jonge Vincent Lee leren kennen in het huis waar hij via het uitwisselingsprogramma voor scholieren was geplaatst. Dat huis blijkt bij nader inzien een afkickkliniek voor junks te zijn, geleid door de nog in de kinderschoenen staande organisatie Synanon. Die organisatie, onder leiding van Chuck Dederich, heeft echt bestaan, opgericht in 1958 en in 1991 ten onder gegaan aan schandalen, zwendel en criminaliteit. Kees ’t Hart laat zijn hoofdpersoon helemaal opgaan in de zelfhulpideologie van Dederich. Diens slogans ‘Today is the first day of the rest of your life’ en ‘Imitation is suicide’ zijn voor hem even levensbepalend als de aantekeningen van Hitchcock in het second-unit-draaiboek voor Vertigo.

Dat imitatie tot zelfmoord leidt – de kern van Vertigo – is voor Vincent in meer dan één opzicht een waarschuwing. Hij is een imitator. Een imitator van levens. Ook zijn tekentalent gebruikt hij voor het vervaardigen van imitaties. Juist omdat hij daar zo bedreven in is, komt hij van pas in de second unit van Vertigo. Bovendien kan hij in San Francisco geld verdienen met het natekenen van filmsterren en lingeriemodellen voor de omslagen van ranzige pulpromannetjes.

Waarom ’t Hart zijn hoofdpersoon met de omstreden Synanon-organisatie in aanraking laat komen, is niet helemaal duidelijk. Misschien louter vanwege een tekst van Bob Dylan over komiek Lenny Bruce die aan een overdosis stierf en ‘never made it to Synanon’. Zelf is Vincent niet aan de drugs, maar wel verslaafd, aan zijn fantasieën. Net als junks of alcoholisten leeft hij in een roes, compleet met op deliriums lijkende aanvallen van ‘vertigo’.

Fascinerend is dat de manier waarop ’t Hart het verhaal vertelt, overeenkomt met de wijze waarop dagdromen ontstaan. Hij fabuleert en associeert erop los. Het ene hersenspinsel lokt het andere uit. Zo weeft ook Vincent draad voor draad aan zijn droom. Als de fantasie hapert, wordt er weer een nieuw touwtje geknoopt totdat er een rondlopend verhaal ontstaat, zodanig kloppend dat ’t niet meer te geloven valt.

Je vraagt je af of iemand die zo opgaat in een zelf gecreëerde fantasiewereld nog een ‘normaal’ leven kan leiden. Dat is Vincent gelukt dankzij zijn huwelijk met de Nijmeegse Rietje en zijn stabiele carrière bij een groot architectenbureau. Hij had geen fantasieleven meer nodig. ‘En langzamerhand begon ik het allemaal te vergeten, voor dat soort dingen was geen tijd meer. En al helemaal niet voor Hitchcock. Wat ik in San Francisco had meegemaakt – beleefd kun je beter zeggen, van meemaken was geen sprake, ik maakte helemaal niks mee, ik werd gemaakt – was niet meer geweest dan een vlaag van verlangen, jeugdig dromen, ooit bij en met Hitchcock begonnen.’

Wanneer Vincent van Zandt in 2008 in San Francisco zijn jeugddromen aan de werkelijkheid komt toetsen is zijn vrouw Rietje al een jaar dood. Hij kijkt terug op een intens liefdesleven en een succesvolle carrière. In veel opzichten is hij volwassen geworden. Als hij in zijn hotelkamer vrijt met de hoer die een imitatie is van Kim Novak als Judy, denkt hij aan de echte seks met Rietje, waar geen filmscènes of jongensdromen tegen op kunnen. Imitation is suicide, daar is hij inmiddels wel achter.

Of toch niet helemaal? Kunnen fantasieën, al dan niet in gang gezet door grote voorbeelden die je wilt navolgen, niet ook levensreddend zijn? Vincent ontdekt tijdens zijn zoektocht naar Lee dat wat hij in 1958 heeft beleefd echt waar is. De bewijzen worden hem letterlijk in de schoot geworpen. Tenzij hij na de dood van Rietje en het einde van zijn loopbaan opnieuw vlucht in zijn oude fantasie en die van een happy end voorziet.

Alles met dank aan Hitchcock, zoals ’t Hart ook in eerder werk hommages bracht aan figuren die hem tot inspiratie dienden, van Snip en Snap tot Simon Vestdijk. ‘Ik schrijf voor hen en voor niemand anders. Uit een rare manier van dankbaarheid. Ik wil iets terugdoen,’ heeft hij daarover gezegd. Dat voert zijn lezer mee terug naar de bronnen waar ’t Hart uit put. Hotel Vertigo is een onnavolgbaar geraffineerde, superspannende roman die Hitchcocks Vertigo in een heel nieuw licht plaatst.