De Palladiumman

Vandaag in de tram zag ik er weer een: rond de vijftig jaar, een donkerblauw en vormeloos jack, een zwarte spijkerbroek en geheel verdiept in zijn krant. En aan zijn voeten: zwarte Palladiums die duidelijk al heel wat jaren stof en regenplassen van dichtbij hadden mogen aanschouwen. Hij klopte precies met het profiel – een trouw lid van de Palladium Club.

Al enige tijd heb ik het vermoeden van een club, en het lijkt me een goed moment om de resultaten van mijn bijzonder onwetenschappelijke onderzoek eens te publiceren. Het gaat om een bepaald type man. Intelligent, eigenwijs, in het bezit van zelfspot, in zijn hart een roker, politiek links van het spectrum en vooral: compleet onverschillig tegenover zaken als ‘representatief’, ‘netjes’ en ‘een stropdas zou hier misschien wel gepast zijn’.

De mode-industrie mag de ene dag schoudervullingen voorschrijven en de volgende mintgroene skinny jeans – de Palladiumman zal het een zorg zijn. Zijn kleding is praktisch, het zit comfortabel en bij voorkeur is het zwart: dan kun je het fijn lang aanhouden zonder dat je de vlekken erop ziet. Op officiële gelegenheden kun je hem aantreffen naast een vrouw die met een licht gedeprimeerde blik naar zijn zwarte trui kijkt. Je voelt dat ze het vaak heeft geprobeerd – „Hè, alleen voor vanavond, misschien dat ene leuke lichtblauwe overhemd dat ik laatst voor je heb gekocht? Nee... Nee, niet weer die zwarte coltrui. Maar daar zitten brandgaatjes in! Neem dan tenminste een schone zwarte coltrui!” – maar dat ze de strijd al een tijd geleden heeft opgegeven. Niemand kan de koppige Palladiumman overtuigen. Op het gebied van textiel is hij enkel trouw aan zijn grote liefde, aan zijn signature shoe. Een triomf van canvas en rubber: de Palladium.

Mijn vader is een overtuigd Palladiumliefhebber. Hij kreeg zijn eerste paar rond zijn achttiende. Het was de eerste keer dat hij zulk soort schoenen zag, want in Nederland waren ze toen nog niet verkrijgbaar. Het betrof een afgedankt kakikleurig paar van zijn oom, een geoloog die er nog mee over de Vlakte der Kruiken in Cambodja had gebanjerd. Vanaf dit eerste paar was mijn vader verkocht. Toen ik voor de eerste keer naar Thailand vertrok en besloot dat ik Palladiums nodig had om aldaar niet roemloos in een afgrond te verdwijnen, was hij ontroerd alsof ik net had medegedeeld dat ik het familiebedrijf van faillissement zou gaan redden. Hij vertrouwde me toe dat het ook niet zómaar een schoen was, maar een vast onderdeel van het uniform van het Franse Vreemdelingenlegioen. Sterk, soepel en woestijntrotserend.

Mijn vader was de eerste die het profiel van de Palladiumman vormgaf, maar algauw volgden er meer. Vaders van vriendinnen. Mannen op straat. Maarten van Rossem en Midas Dekkers. En nu denk ik dat het een club is, een geheim bondgenootschap van mannen – beschaafd van geest, morsig in uiterlijk – die elkaar herkennen aan hun schoeisel en die in het geniep bijeenkomen om zaken te bespreken als werelddominantie, het laten krimpen van het Higgs-deeltje en de meest efficiënte manier om een kuiltje jus in een boerenkoolmaaltijd te maken. Ik moet toch mijn Palladiums maar weer eens uit de kast halen.