De moord op Johan de Waal

Bijna iedereen in het dorp haatte Johan de Waal. Dus rouwig zijn ze er niet om dat zijn lijk uit het Kanaal van Steenenhoek is opgevist. „Als de politie de moordenaar vindt dan krijgt hij een lintje.”

PROLOOG

Een jongen zwaait vanaf zijn barkruk met een mobieltje. Op het scherm een foto van een plastic skelet dat uit het water steekt, met een cowboyhoed op. Kijk! Johan!

Lachsalvo’s.

Achter de toonbank hebben ze nog wel een rekening van hem liggen. Even zoeken, hoor. Die durfde de kroegbaas niet te innen, want met Johan wist je ’t nooit. Die kon opeens uitschieten, en dan had je weer rotzooi met bloed en glas en splinters.

De rekening zal Johan de Waal nooit meer betalen, want hij is dood. Vermoord. Met een betonblok aan z’n voeten in het kanaal gegooid. Door wie? Weten we niet, zeggen ze in dorpscafé ’t Kraaienest. Hoeven we ook niet te weten. „En als de politie er wel achter komt, krijgt de moordenaar een lintje.”

HOOFDSTUK I

Boven-Hardinxveld. Op de dijk ernaartoe waarschuwen verkeersborden in het Pools dat omdraaien niet meer kan. Het dorp ligt geïsoleerd, afgesneden als een taartpunt door de Merwede en het Kanaal van Steenenhoek.

Vroeger slingerde het dorp als een lint van vissers en grindwerkers langs de rivier. Nu is Boven-Hardinxveld met nieuwbouw opgepompt tot een gemeenschap van vijfduizend inwoners. In het hart geen dorpsplein, maar een gigantisch bejaardencomplex. Een sfeerboetiek met rieten mandjes en boerenjongens verving de schoonheidssalon. Op de werf werken Polen. Op zondag lopen de straten vol met vrouwen in rokken, de rest van de week is het stil. Dorpsbewoners komen elkaar tegen bij de supermarkt of bij een van de kerken. Dan groeten ze elkaar. Soms is er in het bejaardentehuis een knutselmiddag voor de kinderen.

Johan de Waal, 54 jaar, was een excentriekeling in het dorp. Hij droeg een cowboyhoed, reed rond in een reusachtige, zwarte pick-up. Op zondag ging hij niet naar kerk, maar reed hij in vol ornaat met zijn paardenkoetsje door het dorp.

Een moeilijk man, dat was hij ook. Een gehate man. „Bloedvergietend sterk”, zeggen dorpsbewoners. Een man die met iedereen weleens gevochten had. Die ruiten ingooide van het café. Die probeerde kinderen aan te rijden op de dijk. Met pakken vla smeet. „Echt een hufter”, „een onmogelijke vent”, „agressief”, „intimiderend”, „zuigend”.

HOOFDSTUK II

Opgeruimd staat netjes, dachten dorpsbewoners toen Johan na 9 januari niet meer opdook. Dáchten, want je moest niet te veel hardop speculeren. Voor je ’t weet was hij terug en stond hij op je stoep. Totdat Johan op 6 september, negen maanden later, per ongeluk werd opgevist uit het Kanaal van Steenenhoek door binnenvisser Ruub, van de Rivierdijk. Nog geen kilometer van zijn eigen huis. Een lijk verzwaard met een ketting, een metalen gewicht en een betonnen opsluitband, samen 160 kilo. Dat kon geen ongeluk meer zijn.

In het dorp konden ze er nog wel om lachen.

„Waarom ’t storm loopt bij visser Ruub? Omdat hij Wáling heeft gevangen!”

Niet snel daarna vielen rechercheurs het dorp binnen. Ze ondervroegen iedereen, ook de bejaarden in hun flatjes tegenover Johans huis. Opsporing Verzocht toonde foto’s van het kanaal, van de pick-up voor zijn huis, en van Johan zelf: lange vent, rode baard, cowboyhoed. Getuigen hadden op de avond van zijn verdwijning een worsteling gehoord op zijn erf. Op het leugenbankje bij de rivier smoesden oude mannen over wie de dader kon zijn.

In september werden twee verdachten aangehouden. Een dorpsgenoot en een neef, 21 jaar, die pal naast Johan woont.

Geen wonderlijke keuze. Het hele dorp wist dat het oorlog was tussen Johan en zijn broer Piet, de vader van de neef. Een broedertwist die regelmatig ontaardde in een vechtpartij waarbij ze elkaar met rieken achterna zaten. Toen Piet vorig jaar aan kanker overleed, zou Johan de vlag hebben uitgehangen. Sterker: Johan zou een vlag hebben geplant op het graf van zijn broer. Hij zou zelfs hebben gedánst op het graf.

HOOFDSTUK III

De dorpsgenoot en de neef zijn weer vrij, al gelden ze nog wel als verdachte. De moeder van de neef rookt op het erf een sigaretje. Hij is op het land, zegt ze, maïs aan het hakselen. Nu gaat ze frikandellen voor hem bakken. „En verder moeten we ’t allemaal nog verwerken.” De neef drijft honderd meter verderop in een oude jeep een paar pinken bij elkaar. „Iedereen heeft z’n verhaaltje klaar”, zegt hij bij het hek. „Maar ik ga gauw weer verder.”

Buurtbewoners denken niet dat de neef iets met de zaak te maken heeft. En mocht hij het wel gedaan hebben, zegt een jongen met twee dikke glimmers in z’n oren bij het kanaal, „dan wordt-ie geprezen”.

Johan had wel meer vijanden. Hij deed zaken in het buitenland, dingen met paarden of misschien wel drugs.

De politie graaft intussen door. Maar het dorp heeft het oordeel al geveld. „Had Ruub hem maar weer laten zakken”, zeggen ze in café ’t Kraaienest. Dan was er geen lijk, en was er ook geen dader.

HOOFDSTUK IV

Hoe komt een man aan zoveel vijanden?

Jan de Waal, de oom van Johan, zijgt voorzichtig in zijn stoel. Hij is 89. Hij doet zijn gehoorapparaat in en kijkt op zijn horloge. Het is bijna twaalf uur. Op het fornuis koken peentjes, op de bank slaapt zijn vrouw. Met zachte stem: „Het appeltje valt niet ver van de boom.”

Het geslacht De Waal kwam een paar generaties terug als pachtboeren in het dorp. Import. De grootouders van Piet en Johan waren lid van de grote dorpskerk, weet Jan, en vonden aansluiting.

Terwijl links en rechts boeren het werk opgaven, ging de familie De Waal door. Ze overleefden de anderen door steeds een stukje land bij te kopen, steeds een koe toe te voegen aan de stapel. Keihard werken. „Het ging altijd allemaal om geld”, zegt Jan. „Maar het heeft ze niet ver gebracht.”

Twist zit in de genen van de familie. Oom Jan had ook ruzie met zijn broer: de vader van Johan en Piet. Ze waren het niet eens over de verdeling van de boerderij en Jan vertrouwde zijn broer niet met het geld. Toen neefje Johan puber was, werd de situatie op de boerderij „onhoudbaar”. Jan vertrok. Hij heeft nauwelijks contact meer met die kant van zijn familie.

Maar hij weet nog wel hoe de jonge Johan was. Die zei op z’n zestiende met een luchtbuks in de hand tegen z’n oom: „Zo makkelijk als ik dat vogeltje uit de lucht schiet, zo makkelijk schiet ik jou neer.” Piet was geen haar beter, zegt Jan. Samen staken ze de banden lek van Jans zoon en duwden ze ’m veel te lang kopje onder in het kanaal. Hetzelfde kanaal waaruit Johan dit jaar werd opgevist.

Er kwam wéér ruzie om de boerderij. Toen hun vader door een stier werd doodgedrukt, erfden Piet en Johan samen de maatschap. Daarmee werden ze levenslang tot elkaar veroordeeld. Nog geen tien meter bij zijn broer vandaan liet Johan een bungalow voor zichzelf bouwen. Johan was ‘de machineman’, hij verhuurde zichzelf met kiepwagens als grondwerker, terwijl Piet, ‘de koeienman’, de boerderij deed. Johan raakte gefrustreerd. Hij wilde boeren, dat zat ’m in het bloed. Maar dat ging niet met zijn broer. Verhuizen was geen optie, wie verhuisde was de verliezer. De ruzies liepen hoog op. Geregeld moest de wijkagent komen.

Op de begrafenis van Piet, vorig jaar, was veel meer volk dan op de begrafenis van zijn broer Johan. Het shantykoor Ahoy waarvan Johan een jaar voor zijn dood lid was geworden, was misschien wel de enige die een rouwadvertentie plaatste. Het dorp probeert de geschiedenis te vergeten. „Niemand heeft er belang bij dat de dader wordt gevonden”, zegt de één. Een ander: „We zijn blij dat het is opgelost”.

HOOFDSTUK V

De lichtgroene rolgordijnen van de bungalow van Johan de Waal aan de Koningin Wilhelminalaan hangen nu al negen maanden naar beneden. In de ruit zit een barst, vermoedelijk ingegooid. De houten balken van de oprit rotten weg. De gietijzeren paardenkoppen in het hek herinneren aan de grote hobby van Johan.

Johan hield meer van paarden dan van mensen, zoveel is duidelijk. Hij was sociaal niet handig, zegt Teus van den Bout, eveneens een neef van Johan. De schapenboer uit Goudriaan, twintig kilometer verderop, woont met zijn vrouw en drie kinderen in een houten keet naast de stal.

In het dorp werd Johan steeds meer een buitenbeentje, vertelt Teus. Hij had handeltjes in antiek en in paarden, dat vinden ze vreemd in het dorp. En er was jaloezie, want Johan had geld. Reden de andere boeren nog rond in een oude trekker, dan had Johan een splinternieuwe. En hij was altijd nadrukkelijk aanwezig. Grote auto, rare kleren, grote mond. Teus: „Dat moet je in Boven-Hardinxveld niet doen. Dan ben je raar, dan wordt er over je gepraat. Mensen hier houden niet van aparte dingen.”

Johan verhardde, isoleerde. „Er zijn mensen die behoefte hebben aan een beetje liefde”, zegt Teus, „en mensen die behoefte hebben aan heel veel liefde. Dat had Johan, en dat kreeg hij niet”.

Johan had ook een andere kant. Voor zijn dood hielp Johan vaak op de boerderij van Teus. „Opruimen, vegen, brandnetels uittrekken, trekker rijden. De extra handen waren welkom hier.” Hij hielp soms wel vijftig uur in de week. Vroeg niks voor zijn hulp. Regelde een meststrooier toen Teus daar geen geld voor had. Kwam z’n afspraken na. Nam kadootjes voor de kinderen mee, liet ze met z’n hondje spelen.

Tegen z’n dochtertje: „En wat nam oom Johan altijd mee?”

„Bóbby.”

„En hoe noemde hij jou?”

„Kleine Bámbi.”

Een jaar voor zijn dood meldde Johan zich aan bij een shantykoor in de buurt, tegen de eenzaamheid. „Nooit problemen met hem gehad”, zeggen ze daar. „Hij deed gewoon gezellig mee.” Een goede vriendin kwam altijd mee naar de uitvoeringen. Die vrouw had een goede invloed op ’m, zegt Teus.

Hij heeft geprobeerd Johan te verzoenen met zijn broer, zegt Teus. Het was wel gelukt om de generatie daarboven om de tafel te krijgen. Maar bij Johan en Piet lukte het niet. En toen kreeg Piet kanker.

Hing Johan echt de vlag uit op Piets sterfdag? „Johan zei wel: het is vlaggetjesdag als Piet doodgaat. Maar de dag dat-ie stierf, heeft Johan hier aan tafel zitten huilen. Die vlag, dat is de tamtam.”

EPILOOG

In het café klinkt die tamtam, daar tuimelen de sterke verhalen over de bar. Had-ie laatst niet een glas stukgeslagen en daar mensen mee bedreigd? Had-ie niet die ene in elkaar geslagen waar z’n kinderen bij waren? Werkte zijn ex niet in een bordeel?

Eén man aan het einde van de bar houdt zich afzijdig. „Ik was wel goed met Johan”, zegt hij zachtjes. Even was hij bang dat een neefje van hem, een vriend van de verdachte, Johan in het kanaal had gegooid. Maar dat denkt hij niet meer, anders was het al wel uitgekomen. Het waren mensen van buiten. Misschien.

Hij snapt Johan wel. Zijn eigen moeder kwam niet van hier, dus hij was ook een buitenbeentje. Een underdog, net als Johan. „Ik moest elke dag vechten op de werf.” Wie eenmaal een stempel heeft in Boven-Hardinxveld, komt daar niet meer vanaf, zegt hij. En als je niet wordt geaccepteerd, dan word je hard. „Dan groeit je karakter ertegenin.”