De kunst van het leesplezier

‘Als iemand begint over de grens tussen hoge en lage cultuur, pak ik mijn geweer’, zei de cultuurpessimist. Want mijn kinderen zou ik moeten uitleggen dat er ooit een onderscheid tussen hoge en lage cultuur is geweest.

In haar oratie Het belang van de tweede rang schrijft Erica van Boven over een interessante boekenlijst die de Haarlemse boekverkoper Peter Coebergh in 1975 samenstelde, met de belangrijkste boeken van de voorbije 100 jaar, zowel de klassieke werken als de nu veelal vergeten bestsellers. Van Boven pleit terecht voor onderzoek naar die boeken ‘van de tweede rang’, onder meer omdat de ‘typische thematische en stilistische kenmerken van een periode’ eerder daar te vinden zijn dan in ‘de unieke literaire meesterwerken’. Dat laatste komt vermoedelijk omdat die meesterwerken op hun vermeende tijdloosheid zijn uitgekozen, maar alla.

Van Boven verpakt haar betoog in een ‘discours’ waarin alle Bourdieu-clichés samenkomen. Ze schrijft over ‘een twintigste-eeuwse officiële letterkunde waarin het leesplezier ver te zoeken is’. Huh? Zijn Couperus, Elsschot, Nescio, Hermans en Vestdijk uit de officiële letterkunde gevallen? Mag Multatuli niet meer meedoen? En Willem Brakman? Die schreef volslagen onbegrijpelijke romans, maar ze zijn een feest om te lezen. De enige manier om aan die schrijvers geen leesplezier te beleven, is door niet te lezen. Maar misschien is lezen niet de core business van de literatuurwetenschap.

Het enige zinnige onderscheid is dat tussen interessante boeken en oninteressante boeken. Vervolgens zijn sommige boeken interessant omdat ze kunst zijn, en sommige om andere redenen.

Neem het geweldige boek dat ik las tijdens Nederland-Duitsland: Geen genade, de door Thijs Slegers uitstekend opgetekende autobiografie van oud-voetballer Andy van der Meijde (1979). Met een fascinerend mengsel van eerlijkheid, zelfspot en dommige vastberadenheid doet Van der Meijde (17 interlands) verslag van zijn lange weg omlaag: eerst heel veel vrouwen, toen drank en daarna drugs. Van der Meijde spuugt het er allemaal zonder voorbehoud uit: van de talloze receptionistes, groupies en strippers tot de lapdance die hij de vijftienjarige zoon van zijn au pair gaf voor diens verjaardag. En de waanzinnige dierenverzamelwoede van zijn vrouw, die indirect leidt tot de memorabele zin: ‘Op een ontvoering van mijn hond zat ik net zo min te wachten.’