De kille koningin van de klas

‘Het is ontzettend goed dat je de Kindertelefoon belt,’ zegt de lieve mevrouw. Rifka heeft net verteld dat ze zwanger is, twaalf jaar jong, en het is van haar broer. ‘Och meid, lief meisje,’ snikt de mevrouw, maar Rifka heeft al opgehangen. Schaterend van het lachen. Ze heeft helemaal geen broer.

Kinderen onschuldig? Dat standpunt wordt steeds onhoudbaarder, in tijden van de ‘Facebookmoord’, de zelfmoord van een pestslachtoffer en Vinterbergs film Jagten – we zijn erdoor geschokt omdat we dolgraag willen blijven geloven in het cliché van het onschuldige kind. Maar in alle drie de gevallen spelen meedogenloze kinderen de hoofdrol: ze staan geen moment stil bij de ernst van hun daden of de gevolgen voor anderen. Zo ook in Zwarte zwaan, het meesterlijke jeugdboek van Gideon Samson. De Kindertelefoongrap is nog het onschuldigste wat zijn hoofdpersoon Rifka uithaalt.

‘Wij twee moeten heersen over het volk der truttenkoppen en piemelpikkies,’ zegt de zelfbenoemde king van de klas (queen is niet stoer genoeg). De wereld is een spel voor Rifka en zij is de winnaar, haar beste (en enige) vriendin Duveke is secondant. Soms is ze ook slachtoffer, als het zo uitkomt. ‘Mijn vader is vannacht overleden,’ zegt het manipulatieve feeksje op een dag tegen Duveke, die schrikt. ‘Geintje.’

Centraal in Zwarte zwaan staat een plan, dat Rifka’s ultieme manipulatie is: ze wil haar eigen begrafenis bijwonen. Toen Mori, een jongetje uit de klas, een paar maanden eerder overleed, maakte ze mee hoe honderden mensen om hem honderdduizend tranen plengden – terwijl iedereen verdorie wist dat Mori een hartkwaal had en hij dus sowieso jong zou sterven. Rifka fantaseert: ‘Moet je nagaan hoe dat zal zijn als zo’n lief meisje als ik er opeens niet meer is.’ Ze fabriceert een plan: ze zal ontvoerd lijken en even later omgebracht, zodat haar ouders haar begrafenis organiseren. Zelf kan ze dan incognito toekijken.

Rotkind

Samson maakt met weinig woorden aannemelijk dat het Rifka ernst is: haar wil zal geschieden. Met deze ‘king’ creëerde Samson een literair rotkind dat past in een illustere rij, want in de jeugdliteratuur is de mythe van het onschuldige kind al eerder doorgeprikt. Denk aan Nooit meer lief (2010) van Anna van Praag, Big (2006) van Mireille Geus, maar bovenal aan Daan Remmerts de Vries’ Godje (Gouden Griffel 2003), waarin Robbie Nathan zijn ‘vrienden’ manipuleert en uitmaakt voor ‘beest’.

Samson heeft kennelijk iets met dat laatste boek en de schrijver ervan, want Zwarte zwaan staat bomvol verwijzingen naar het oeuvre van Daan Remmerts de Vries. Rifka is Robbie Nathans vrouwelijke tegenhanger en vrijwel alle personages in Zwarte zwaan zijn vernoemd naar figuren uit Remmerts’ werk. De puberbroer van Duveke deelt zijn naam én zijn karakter met de Olivier over wie Remmerts een serie schreef. Rifka en Mori zijn de namen van de hoofdpersonen uit De Noordenwindheks (2004) – een boek dat trouwens wel wat wegheeft van Ziek, het boek waarvoor Samson in 2010 een Zilveren Griffel kreeg. Zelf vond hij het de Gouden Griffel waard, zei hij destijds in een interview, maar die ging toen naar Voordat jij er was van Daan Remmerts de Vries.

Wat wil Samson daarmee? Het kan een enorme blijk van schatplichtigheid zijn, maar ook een literair spel om pesterig te laten zien hoe hij in één boek de personages uit een heel oeuvre adopteert. Hoe dan ook lijkt het minstens Samsons ambitie om Remmerts te evenaren.

Dat lukt hem. Zwarte zwaan is zeer geslaagd en zeer gedurfd, alleen al om het ‘ongezellige’ onderwerp, maar ook om de literaire vorm, met perspectiefwisselingen en een ongebruikelijke je-verteller. Om die veelkantige ‘moeilijkheid’ kon het boek nog wel eens tot ongeschikt voor kinderen verklaard worden, ware het niet dat het verhaal zeer leesbaar en thrillerachtig spannend is. Duveke besluit namelijk iets cruciaals niet te doen, waardoor Rifka’s plan gedoemd is te mislukken.

Na het eerste deel ‘Voor’ (dat is: voor Rifka’s verdwijning), verteld vanuit de gemanipuleerde positie van Duvekes ik-vertelling, schakelt het verhaal naar ‘Na’, waarin we meekijken met Olivier. Dat blijkt een ijzersterke wending. Ten eerste kent hij Rifka’s plan niet, dus leeft hij argeloos naar de begrafenis toe – inderdaad, die begrafenis komt er. Dat bevreemdt. Duveke zou het plan toch dwarsbomen? Bovendien knaagt die ene kinderlijke misrekening van Rifka: zo kort na een vermissing wordt een kind toch niet doodverklaard?

Liefste zwaantje

Van Olivier leren we daarnaast meer over de voorgeschiedenis, en over zijn eigen, verrassend cruciale rol in de intrige. Samson portretteert hem ook weer zeer knap, als een 14-jarige puber à la Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye: veel vindt hij ‘nep’ (soms is het terecht, bijvoorbeeld als Rifka’s moeder pathetisch snikt: ‘Mijn allerliefste zwaantje vliegt niet meer’). Maar net als Holden Caulfield houdt Olivier zielsveel van zijn zusje Duveke, die sinds de verdwijning geen woord meer zegt. Bij hen zit de spaarzame warmte in deze roman.

Aan het slot (het deel ‘Tijdens’) krijgt Zwarte zwaan trekjes van een Shakespeariaanse tragedie. Intriges blijken verknoopt, onvermoede puzzelstukjes vallen op hun plaats en het lijkt werkelijk te gaan om leven en dood. We zien nu wat er na Rifka’s verdwijning gebeurde, vanuit haar ogen – maar beschreven in een jij-perspectief. Apart, maar goed verdedigbaar, want een ik-vertelling zou te veel op zelfreflectie lijken en daar doet Rifka nu juist niet aan. Ze laat zich uitsluitend gelden in de ogen van anderen. Zonder klasgenoten die haar gehoorzamen blijft er niets van haar over. Zonder onderdanen geen koningin. Daarmee krijgt Rifka iets tragisch: haar manipulatie is een schreeuw om aandacht, die ze thuis niet krijgt.

Langzaamaan groeit bij de lezer zo een gevoel van mededogen voor het rotkind. Het is allemaal briljant uitgekiend door Samson, die sec en staccato schrijft, schijnbaar simpel. Dat past in zijn strategie: ‘De waarheid is nooit precies zoals je denkt dat hij zou zijn,’ luidt het motto, (van Johan Cruijff). Aan het slot van de roman keert Samson de verwachtingen net even om. Die knappe constructie wekt ontzag, maar het knapste is nog wel dat de omkeringen je vermoedens over schuld en onschuld op losse schroeven zetten. Wie was nou het slachtoffer en wie zat er dan fout?