De hang naar dwang

Veiligheid was in de verkiezingscampagnes geen thema. Ondertussen is het één van de schaarse terreinen waarop niet wordt bezuinigd. Maar dempen meer camera’s, beveiligingssystemen en andere toys for boys gevoelens van onveiligheid? Volgens auteurs van twee nieuwe boeken allerminst.

Het was de beroepsvereniging voor professionele beveiliging al opgevallen: in de verkiezingscampagne en de debatten over het regeerakkoord was het thema veiligheid opvallend afwezig. Nergens de roep om strengere straffen en ‘meer blauw op straat’, in plaats daarvan oorverdovende stilte. Toch concludeerde de vereniging, in het lijfblad Security Management, dat er ‘volop kansen voor de branche’ lagen. De regering bezuinigt immers op alles – maar niet op veiligheid. 250 miljoen voor extra agenten, minimumstraffen, cameratoezicht: zaken waar met name de VVD zich sterk voor maakt.

Volgens publicist en expert op het gebied van veiligheid Bart de Koning zijn die maatregelen echter geldverspilling, want volstrekt niet aantoonbaar effectief. Nu het regeerakkoord toch is opengebroken, is het daarom wel handig om het boek van De Koning erbij te pakken.

In enkele korte en snelle analyses haalt de De Koning tien mythes onderuit: meer blauw op straat maakt het veiliger, met afluisteren vang je veel boeven, drugs moet je hard bestrijden, zero tolerance werkt en nog een paar van die borreltafel-schijnwaarheden.

In de eerste plaats rekent De Koning af met de belofte in het vorige regeerakkoord: ‘Veiligheid is een kerntaak van de overheid. Randvoorwaarde voor vrijheid en vertrouwen is een omgeving die niet onveilig is en waar geen gevoelens van onveiligheid heersen’. Dat is een utopische belofte; totale objectieve veiligheid, in de zin van afwezigheid van misdaad en geweld, is immers al niet te garanderen, laat staan dat de overheid alle subjectieve gevoelens van onveiligheid kan bevredigen. Daar heeft De Koning een goed punt te pakken. Helaas is zijn boek erg op het heden gericht en laat hij niet zien wat de verklaring is voor de in de Nederlandse geschiedenis zo recente roep om veiligheid. Dat had zijn deconstructie van de ‘veiligheidsutopie’ nog sterker gemaakt. De vraag is natuurlijk hoe het komt dat er sinds de jaren negentig ineens zoveel aandacht voor veiligheidsbeleid is.

Er zijn genoeg sociologen geweest die hebben aangetoond dat die aandacht niet een op een met de toe- of afname van criminaliteitscijfers samenhangt. Hans Boutellier schreef in zijn standaardwerk De veiligheidsutopie al dat ‘hedendaags onbehagen’ in de netwerksamenleving voor meer onzekerheid en onveiligheidsgevoelens zorgt. Steven Pinker (niet door De Koning aangehaald), de Harvard-psycholoog, betoogde vorig jaar nog in een massief boek (The Better Angels of Our Nature, besproken in Boeken, 11.11.2011) dat geweld afneemt, maar dat onze gevoeligheid ervoor is toegenomen.

Maar wat verklaart dan de specifiek Nederlandse stijgingen en dalingen van de laatste tien jaar? Volgens De Koning wordt de onveiligheidsmythe gevoed door politici die enerzijds het land als veel gevaarlijker afschilderen dan het feitelijk is, en anderzijds dan meteen beloven dat zij de enige zijn die daaraan wat willen en kunnen doen.

Product

Waarom doen ze dat? Een hele belangrijke oorzaak voor het persisteren van de onveiligheidsmythe komt in De Konings boek niet voor: veiligheid als te consumeren product. Hoeveel er ook bezuinigd wordt, als je het slim speelt, blijft iedereen wel overtuigd van de noodzaak van meer veiligheidsmaatregelen. Niet omdat we met z’n allen zo bang zijn, maar omdat veiligheid voor de burger ‘goed’ voelt, voor politici makkelijk scoren is en vooral onderdeel is geworden van de economie. Kijk nogmaals naar alle producten die er worden aangeboden, sla er de tijdschriften voor de veiligheidsbranche maar eens op na. Het is bijna James Bond: nóg slimmere camera’s, software voor serious gaming (computersimulaties die gebruikt worden bij opsporing), allerlei certificaten en toegangscontrolesystemen worden te kust en te keur aangeboden. Het bezit van de meeste moderne en creatieve veiligheidssystemen is een soort keurmerk geworden. Het staat leuk, is goed voor de reputatie en de protocollen. Dit ‘boys with toys’-principe blijkt onder meer uit de waarschuwingen van experts, zoals politie-onderzoeker Cyrille Fijnaut en De Koning, die moeilijke ICT-systemen afraden en ‘gewoon’ pleiten voor meer geld voor rechercheurs en noodhulp. Te veel vertrouwen op allerlei dure marktproducten leidt de aandacht af van het feit dat de veiligheidsbranche uiteindelijk maar op een ding uit is: geld verdienen. Dat is haar goed recht, maar overheidsdienaren moeten beseffen dat het geld niet op mag gaan aan leuke gadgets voor de bühne.

Juist daarvoor probeert hoogleraar sociale wetenschappen Christien Brinkgreve met haar boek over de teloorgang van moreel gezag een stokje te steken. Politici beloven volgens haar steeds meer en grijpen steeds verder in het dagelijks leven, zoals met elektronische kinddossiers, telefoontaps, kentekenscanners en slimme camera’s. Te denken dat daarmee de onderliggende problematiek wordt opgelost is volgens Brinkgreve een illusie. Gevolg is wel dat politici gevoelens van onveiligheid aanwakkeren en overspannen verwachtingen scheppen. Dat leidt weer tot onvrede, wantrouwen en uiteindelijk een ondermijning van gezag. Waarom heeft de overheid met al die nieuwe bevoegdheden en communicatiesystemen de rellen in Hoek van Holland of Haren niet voorkomen? Waarom blijven nog steeds zoveel opsporingszaken op de plank liggen?

Er zit nog een ander aspect aan de hedendaagse fixatie op veiligheid. Filosofen als Hans Achterhuis (in zijn boeken Met alle geweld ) en recentelijk ook de psychiater Paul Verhaeghe hebben gewezen op de gevolgen van ‘de ontketende burger’ voor de veiligheid van het land. De consument gedijt bij totale vrijheid bandeloosheid, waarna de roep om repressie – van de grenzeloosheid van anderen – automatisch aanzwelt. Gevolg van die paradox is verwarring bij gezagsdragers, die zich dan bijvoorbeeld uit in de verklaring van een politicus dat de burger een inbreker ongestraft mag aftuigen.

Ondermijning

Het verlangen naar gezag is aus einem Guss geschreven, maar bij vlagen wel slordig geredigeerd (er treden voortdurend herhalingen op). Het boek is een vlammend pleidooi tegen de teloorgang van moreel gezag in onder meer gezin, kerk, politie en school. Hoe heeft het ooit zo ver kunnen komen?

Waar De Koning het probleem van teruglopend gezag ziet in politici die teveel beloven, zoekt Brinkgreve de verklaring voor de ondermijning van gezag bij de burger. Secularisering, ontzuiling en de individualisering sinds de jaren zestig hebben volgens haar de basis voor gemeenschapszin, maar ook voor gehoorzaamheid aan gezag uitgehold. Deze op het eerste gezicht zeer conservatief-traditionele cultuurkritiek is zeer opmerkelijk voor een voormalig hoogleraar vrouwenstudies.

Brinkgreves uit de hand gelopen essay moet dan ook niet gelezen worden als nieuw wetenschappelijk inzicht (Achterhuis en Verhaeghe graven dieper en geven een scherpere diagnose) maar eerder als een authentieke klacht over de ondermijning van waarden van ‘hoop, rituelen, saamhorigheid, richting en verheffing’, die zouden zijn weggespoeld in de vloedgolf van de modernisering. Hieraan koppelt Brinkgreve een gepassioneerd pleidooi voor de ‘hang naar dwang’: zo noemt ze de behoefte van de mens om zijn vrijheid in verbondenheid en begrenzing te willen beleven.

Het gaat dus niet om ‘meer blauw op straat’ of strengere straffen, en evenmin om nog meer en nog slimmere camera’s, maar om moreel gezag. Hoe krijgt de overheid dat? Door secuur, plichtsgetrouw handwerk te verrichten en door vertrouwensrelaties met de burger op te bouwen, blijkt uit deze twee boeken. Door ‘contact maken, vertrouwen wekken, maar wél aanpakken – een soort tweesporenbeleid’, aldus Brinkgreve in een wat onspecifiek jargon.

De politieman of vrouw moet zich dus niet verschuilen achter monitoren, of verliezen in serous gaming. En er kan best minder geld aan camera’s worden besteed, of aan symbolische maatregelen zoals minimumstraffen. In plaats daarvan moeten bewindslieden meer oog hebben voor het aloude handwerk en voor de kwaliteit van opsporing. En moeten ze vooral de veiligheidsverwachtingen niet te hoog opkloppen.

Beatrice de Graaf is hoogleraar conflict en veiligheid in historisch perspectief, Universiteit Leiden.