De fragiele zielsgesteldheid van een vogeljongen

Marco Kamphuis: Havik. Wereldbibliotheek, 190 blz. € 18,90

Eén enkele zin uit een roman kan in het kort alles prijsgeven: stijl, thematiek en toonzetting. In Havik van Marco Kamphuis koestert de 12-jarige hoofdpersoon een obsessie voor deze roofvogel die verborgen in de bossen leeft. Hij bewondert in vogelgidsen de afbeelding ervan en zou dolgraag een wilde havik waarnemen. Die vogeldroom gaat teloor als hij van dichtbij een havik in een kooi ziet zitten bij een vogelopvangcentrum. Kamphuis (1966) schrijft over dit cruciale moment: ‘De blik die de havik me toewierp fonkelde van woede, alsof ik een lakei was die binnenkwam zonder kloppen.’ Het is een zin die vraagt om aandacht, vooral door de opmerkelijke combinatie van de woede van de havik en het vormelijke van het woord ‘lakei’.

De jongen uit de roman leeft in een wereld die steeds meer overheerst wordt door angst. In het begin heerst er een weldadige vrede in zijn bestaan; hij is trots op zijn intelligentie en waant zich kandidaat voor de Nobelprijs voor biologie. Maar de onverschilligheid van meisjes en sinistere gebeurtenissen tijdens een schoolkamp ontwrichten zijn leven. Hij blijkt niet opgewassen tegen de bruutheid van zijn klasgenoten. Hij heeft iets verhevens, en dat maakt zijn val des te schrijnender. Als hij hoort dat meisjes zich op het kamp hebben gedragen als ‘sletten’ doet hem dat huiveren.

Aanvankelijk heerst er harmonie in het ouderlijk huis, totdat de ruzies tussen zijn vader en moeder zó dreigend worden, dat zij besluiten tot echtscheiding. De wereld van de jongen stort in. Ook het beeld van de gekooide havik brengt hem in de war. De vitale vogel is veranderd in een vleugellam dier. Het levensgeluk van de jongen, die op de drempel van de volwassenheid staat, is voorbij.

Het is een onderwerp dat niet nieuw is in de Nederlandse literatuur. Het recentst is de korte roman Wild (2011) van Gerwin van der Werf, waarin eveneens een jongen een geheime band met de natuur heeft. Dit boek is, meer dan Havik, een gevecht op leven en dood. Havik mist dat extreme van Wild, is plechtstatiger en vooral ingetogener. In tegenstelling tot wat de stoere titel Havik doet vermoeden, gaat Kamphuis’ verhaal over de fragiele zielsgesteldheid van een vogeljongen die het ‘wilde’ op de natuur projecteert. Maar als dat ‘wilde’ hem in de werkelijkheid overkomt, deinst hij terug. De seksueel-vrijpostige schoolmeisjes maken hem radeloos. Dat is in Van der Werfs boek anders: daarin brandt de onbesuisde wildheid in volle hevigheid los.

Voor Kamphuis’ hoofdpersoon blijft het wilde een ijle droom. Hij is, inderdaad, als een schuchtere lakei die zich op afstand houdt. Dat maakt hem tot een tragisch personage dat in stilte lijdt. Zijn deceptie gaat zover dat aan het slot zelfs vogels voor hem hebben afgedaan, ook de havik met zijn woest fonkelende ogen. Deze teleurstelling geeft Kamphuis op beheerste wijze vorm in een bedachtzame stijl. Dat klopt goed: zo is Kamphuis 12-jarige hoofdpersoon.