Bami, billen, borsten, brothers

Jongens waren het, maar ranzige jongens. Met ‘Het bamischandaal’ levert P.F. Thomése 250 pagina’s even smerig als verlicht geschmier af, geschreven met één hand in de broekzak.

Foto Shutterstock

Een jaar geleden citeerde P.F. Thomése in zijn Albert Verweylezing de ‘invloedrijke Duitse praktijkdenker’ Adolf Hitler: ‘Die Propaganda hat sich auf wenig zu beschränken und dieses ewig zu wiederholen.’ Door marketingoverwegingen aangezwengelde herhaling is volgens Thomése een gevaar voor de literatuur, net als de gekke dingetjes waartoe schrijvers zich laten verleiden om de aandacht van hun lezers te trekken.

Twaalf maanden later publiceert Thomése Het bamischandaal, een sequel op zijn succesvolle poep-en-piesroman J. Kessels: The novel. De verschijning daarvan wordt begeleid door een flauw internetfilmpje over zogenaamde Chinese protesten tegen de Nederlandse schrijver Thomése en Het bamischandaal, het boek dat de Chinezen in een kwaad daglicht zou stellen. Daar zit een paradoxje in, wat Thomése ook wel weet. In zijn lezing wierp hij zichzelf al een reddingsboei toe: ‘Het enige wat [een schrijver] te bieden heeft, is zijn vermogen om de dingen anders op te schrijven dan de meeste mensen het zouden doen.’

En dat doet Thomése. Hij herhaalt zichzelf, maar doet dat geestig, virtuoos en onbedaarlijk smerig. Verteller in Het bamischandaal is ‘de beroemde schrijver’ P.F. Thomése, de man die in J. Kessels: The Novel een reis maakte met zijn beste Tilburgse vriend J. Kessels naar Hamburg om zich daar in de vuiligheid te storten.

Tilburger

Nu trekt hij naar Shanghai om er de vermiste Kessels te zoeken, in het gezelschap van Peer Sonnemans, ook een Tilburger, maar geen opvallende: ‘Ik moest even nadenken wie hij ook alweer was, want zo iemand is het.’ De belangrijkste bijdrage van Sonnemans aan de mensheid is zijn truc om van achteren te zien hoe een vrouw er van voren uitziet: ‘hoe rechter het bh-bandje van achteren, des te platter de situatie van voren.’

Die uitleg is een van de weinige momenten waarop Thomése zich eufemistisch uitdrukt. Wanneer de schrijver en zijn metgezel eenmaal naast een moddervette Chinees in het vliegtuig zitten, gaat het minder subtiel. Eerst kotst Peer Sonnemans zijn luchtvaartmaaltijd uit, waarop de Chinees het braaksel opsmakt. Dat zet een hele fysieke machinerie in werking: ‘Terwijl hij tussen zijn tanden pulkte op zoek naar nog meer eten, roffelde het eerste schetensalvo al spontaan uit zijn reet tevoorschijn. En binnen de kortste keren zat die grote gore Roerganger te boeren en te reutelen alsof hij bij zijn moeder thuis was […] Wat zijn darmen betreft, mocht het jaar van de Reetkever alvast van start.’

Zo raast het verlichte – en op een bepaalde manier ook verlichtende – geschmier van Thomése 250 pagina’s door. J. Kessels (borstenman) is in Shanghai terecht gekomen door zijn verlangen naar een Chinese schone uit een Tilburgs afhaalrestaurant, zijn kompaan Thomése (billenman) valt in de Volksrepubliek voor de kont van de daar wonende Brabantse Bernadette van Rooy (‘de kadetten van Detje’, plus alle openingen en lichaamssappen die daarmee samenhangen). Peer Sonnemans wordt overal buiten gehouden.

In Shanghai fietst voorts nog een Bredanaar rond, ‘de Schel’, die bicycle tours door de stad organiseert waaraan uitsluitend wordt deelgenomen door Duitse homoseksuelen. Dat leidt tot terugkerende tirades van Peer Sonnemans over het feit dat alle Bredanaars per definitie vieze vuile flikkers zijn. Er is ook nog iets met verslavend spul dat in bamislierten wordt verstopt, en met Chinese gokkers die inzetten op NAC-Willem II.

Het bamischandaal is een boek dat duidelijk met één hand in de broekzak is geschreven – om de metafoor een beetje discreet te houden. Thomése heeft er zijn gemak van genomen en zich al schrijvende zichtbaar geamuseerd. Hij was ook zo ontspannen dat hij hier en daar een lelijke woordherhaling heeft laten staan. En na een tijdje krijgen de verbale uithalen noodgedwongen wat plichtmatigs, de scènes gaan op elkaar lijken als, naar een van de hoofdstuktitels, ‘twee druppels voorvocht’.

Toch is er meer dan de ranzige oppervlakte. Want Thomése mag het boek de vorm gegeven hebben van een lang caféverhaal, het is natuurlijk ook bedoeld als literatuur. Zie de momenten waarop de verteller even uit het verhaal stapt om zich te beklagen over de kwaliteit van zijn personages: ‘Nee, een bestseller ging dit hele Bamischandaal niet worden, dat stond nu wel vast.’ Of om duidelijk te maken dat Detje zo gladjes valt voor zijn ‘knoeperd’ omdat hij nu eenmaal de baas van het boek is. Wat een gelul, zouden de personages in Het bamischandaal over die schoolse metapassages zeggen – en ze hebben gelijk.

Interessanter wordt het als je kijkt naar Thoméses herhaalde uitweidingen over voor- en achterkanten: in de tegenstelling tussen de borstenman en de billenman; in een opmerking als ‘in Breda weten ze van voren niet waar ze van achteren mee bezig zijn’; in de herhaalde allusies aan de mogelijke verlangens van de Duitse homo’s die door Shanghai fietsen. Dat is geen toeval bij een schrijver die zichzelf een Januskop heeft aangemeten door zijn ernstiger werk af te wisselen met romans als Het bamischandaal. En dat de voorkant niet weet wat de achterkant doet, past op de paradoxale positie van Thomése die in zijn Verweylezing een marketinggerichte literaire cultuur hekelde waar hij zelf nadrukkelijk deel van uitmaakt.

Mannenliefde

Maar meer dan over literatuur gaan de Kesselsboeken van Thomése over mannelijkheid en mannenliefde. Want hoezeer de heren in Het bamischandaal ook snakken naar billen en borsten, uiteindelijk gaat het ze om de peer review. Het personage Thomése moet en zal van bil gaan in Shanghai, geenszins om lust, maar omdat hij meent dat zijn vriend J. Kessels er de liefde heeft gevonden. Dus hij wil ook.

Wanneer dat niet zo blijkt te zijn en Kessels zijn blik bovendien misprijzend over het lichaam van Bernadette van Rooy laat gaan, is er van de ‘knoeperd’ van Thomése weinig meer over. Zijn verlangen verplaatst zich prompt naar het Chinese liefdesobject van J. Kessels, dat zelfs bereid lijkt zich aan hem te geven. Dat weigert de verteller, uit mededogen met zijn vriend: ze gaan samen naar huis.

Dat is een liefdevol mannengebaar, zij het met een giftig randje: tussen Thomése en Kessels speelt niet alleen kameraadschap, maar ook concurrentie. De slag om de seks in Shanghai heeft Kessels hoe dan ook verloren. De enige betekenisvolle relatie in het boek is deze, die tussen twee mannen: ze zitten omwille van elkaar achter vrouwen aan – al vozend communiceren ze onderling.

Voor dat soort mannenliefde zijn wel eenvoudiger en verheffender arrangementen te verzinnen. Zie de betekenisvolle alomtegenwoordigheid van de Duitse homo’s in Het bamischandaal. Ook voor Kessels en Thomése geldt: ‘Ze weten van voren niet waar ze van achteren mee bezig zijn’, of misschien moet het hier zijn: ‘Ze weten van achteren niet waar ze van voren mee bezig zijn.’

Het bamischandaal is een seksistische roman: in zijn personages, in de stijl en bovenal in het belangrijkste thema: de wereld van dit boek draait om mannen, hun verlangens, hun veroveringen en wat andere mannen daar dan van vinden. Daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen, maar hoe dan ook voldoet Thomése aan zijn vorig jaar geformuleerde credo om ‘de dingen anders op te schrijven dan de meeste mensen het zouden doen’.