'Voor verzamelaars is dit een buitenkansje'

Stanley Bremer wil af van overheidssubsidie voor het Wereldmuseum in Rotterdam. Daarom wil hij de collectie Afrikaanse kunst van het museum verkopen. De gemeente wil hier aan meewerken. „Wat we bereikt hebben, is dat er nu wordt nagedacht over iets dat vijf jaar geleden absoluut taboe was.”

De Afrika-zaal in het Wereldmuseum is gesloten voor publiek. Museumdirecteur Stanley Bremer (60) gebruikt de ruimte alleen nog als ‘etalage’ voor potentiële kopers. Een houten masker met een reusachtige, zwarte verentooi staat in het midden van de zaal. De vitrines eromheen tonen houten beelden en gebruiksvoorwerpen.

Vorige week werd bekend dat de gemeente Rotterdam geen principiële bezwaren heeft tegen het verkopen van kunstcollecties door Rotterdamse musea. Daarmee lijkt de weg vrij voor het plan van Bremer dat vorig jaar zo veel stof deed opwaaien. Door de Afrika-collectie op de markt te brengen hoopt hij miljoenen op te halen, zodat het Wereldmuseum onafhankelijk kan worden van subsidies.

Dat lukt nu ook al deels, vertelt Bremer. Veertig procent van de totale begroting komt uit eigen inkomsten. Niet alleen uit de museumwinkel, maar ook uit het eigen restaurant en uit de grote balzaal die gehuurd kan worden voor recepties. Bremer, die in 2001 directeur werd van het Wereldmuseum, staat onder collega’s bekend als een man met veel commercieel inzicht. Maar ook als iemand met wie het moeilijk samenwerken is. Hij kwam in conflict met andere volkenkundige musea toen hij vorig jaar zijn plan lanceerde om de Afrikaanse kunstcollectie te verkopen aan de hoogste bieder.

Begrijpt u de weerstand tegen uw plan om de Afrika-collectie te verkopen?

„Het is in een negatieve sfeer terechtgekomen. Maar het plan deugt. Waarom zou de staat vier volkenkundige musea in een klein landje als Nederland financieren? Dat gaat niet. We moeten nadenken over onze profilering: als ik Azië neem, dan richt het Afrikamuseum zich op Afrika. En dan zou je van Leiden een museum kunnen maken met een wetenschappelijke taak. Het is gewoon een kwestie van collecties verschuiven.”

En het Tropenmuseum?

„Het Tropenmuseum kan zich richten op Amerika. Daar hebben we nog geen museum van.”

Dan is het Tropenmuseum geen Tropenmuseum meer.

„Tsja. Ik zeg altijd maar: een stap voorwaarts doe je met beide benen van de grond. Je moet gewoon even alle dogma’s loslaten.”

Bent u hierover in overleg met andere volkenkundige musea?

„Ik ben geen lid meer van de vereniging van volkenkundige musea. Vorig jaar ben ik eruit gestapt. Ik voelde me er al heel lang niet thuis. Als je naar een voetbalclub gaat en je er na een jaar nog niet thuis voelt, dan ga je eraf.”

Het lijkt erop dat u de gemeente wel aan uw kant heeft gekregen inzake uw verkoopplannen. Hoe bent u daarin geslaagd?

„Ik heb wat water bij de wijn gedaan en zij ook. Ik heb ingestemd met een wat langer tijdpad en de gemeente past een andere subsidieregie toe. We krijgen in het begin een klein beetje meer geld en daarna steeds wat minder. Dan hebben we tijd om wat beter en genuanceerder over de dingen na te denken. Ik heb het gevoel dat we nu ergens uit zijn gekomen waar zowel het gemeentebestuur als het museum zich prettig bij voelt. Wat we bereikt hebben, is dat er nu wordt nagedacht over iets wat vijf jaar geleden een absoluut taboe was.”

U wilt met de verkoop van de Afrika-collectie een fonds van 60 miljoen euro vormen. De gemeente denkt dat de collectie minder geld zal opleveren.

„Nou, veel minder, dat denk ik niet. Dit soort voorwerpen komt niet vaak meer op de markt. Als een museum gaat verkopen, is dat voor kunstverzamelaars een buitenkansje.”

Voorlopig bent u nog deels afhankelijk van gemeentesubsidie. U krijgt nu 5,14 miljoen en volgend jaar 1,75 miljoen euro minder. Waar gaat u op bezuinigen?

„We moeten een aantal mensen ontslaan, dat kan niet anders. En we moeten ons nog meer focussen op de markt. Ik wil het museum aantrekkelijk maken voor grote groepen uit het bedrijfsleven. Wij vragen niet zozeer geld. We vragen om partnerschap. Ik nodig bedrijven uit om hun lezingen, presentaties, vergaderingen, diners hier te houden. Die zakenlieden komen eten in ons restaurant en krijgen van daaruit heel langzaam interesse in de rest van het museum. Dat is een eigentijdse manier van geld verdienen.”

De Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur was dit voorjaar negatief over de tentoonstellingen van het Wereldmuseum. De vaste opstelling zou te veel lijken op wat je in andere musea ziet.

„In Brussel, Parijs, Londen, de grote steden van Europa, spreken ze vol bewondering over de ‘Rotterdam experience’. We zijn zelfs genomineerd voor de Prix de Livre van het tijdschrift Tribal Art in Parijs! Maar hier in Nederland vinden ze ons onsamenhangend en saai. Ja, wat is saai? Als je op iedere zaal computerschermen verwacht waar je knopjes kunt indrukken, ja, dan is het hier enorm saai.”

U staat onder de andere museumdirecteuren bekend als ‘die commerciële Bremer’, die op eigen houtje beslissingen neemt en niet al te veel overleg pleegt. Wat vindt u daarvan?

„Overleg, tja. Ik overleg inderdaad niet zoveel. Ik ben niet zo van het overleg.”

De Nederlandse musea hebben net afgesproken dat ze meer gaan samenwerken. Daar doet u niet aan mee?

„Waarom zou ik samen dingen gaan doen met musea in Nederland? Het is zo’n klein land. Moet ik dan samen met het Tropenmuseum tentoonstellingen gaan maken? En gaan we die dan eerst in Amsterdam laten zien en dan hier? Maar voordat jullie constateren dat ik met niemand samenwerk: dat is dus niet waar. Ik heb heel veel contact met het Stibbert Museum in Florence, de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel, Musée Guimet in Parijs en Museum Rietberg in Zürich. En we werken intensief samen met particuliere verzamelaars en kamerorkest Sinfonia Rotterdam.”

Maar in de Nederlandse museumwereld heeft u weinig vrienden. Museumdirecteuren zeggen dat u vaak onnodig hard optreedt en altijd ‘doormaait’.

„Als je niet doorzet, krijg je nooit iets voor elkaar. Toen ik hier tien jaar geleden kwam als directeur, was het museum helemaal naar de filistijnen. Het had een schuld van 3 miljoen euro. Ik heb vanaf het begin veel tegenwerking en kritiek gehad. Maar ondertussen staat het museum er wel. Zonder tegenwind stijgt geen vliegtuig op.”

U kiest voor het gevecht?

„Een groot reclameman heeft eens gezegd: als je de aandacht van een ezel wil, moet je hem keihard met een hamer op zijn kop rammen. Dat is mijn filosofie: zet het maar hard in, en dan kom je ergens.”