Utrecht als middeleeuws centrum beeldhouwkunst

Beeldende kunst

Ontsnapt aan de Beeldenstorm; middeleeuwse beeldhouwkunst. Museum Catharijneconvent Utrecht. T/m 24/02. Info: www.catharijneconvent.nl. ****

Naast de veel bekendere laatmiddeleeuwse beeldhouwkunst in bijvoorbeeld het Rijnland, Zuid-Duitsland en Antwerpen, speelt de sculptuur in de Noordelijke Nederlanden een bescheiden rol. Toch bestond er, vooral in Utrecht, een onverwachte grote en ook kwalitatief belangrijke productie van beelden in steen, hout en pijpaarde. Uit de mooie tentoonstelling die Museum Catharijneconvent daar voor het eerst aan wijdt, blijkt dat Utrecht in periode tussen 1430 en 1530, toen de vormentaal van de renaissance er haar intrede deed, een zeer belangrijk centrum van middeleeuwse sculptuur was.

De bouw en decoratie van de Domkerk en andere kerken en kloosters die de bisschopsstad rijk was, leverde werk voor vele steenhouwers en beeldsnijders. Maar ook de welgestelde burgers en rijke geestelijken verleenden opdrachten. Terwijl uit de periode vóór 1430 maar weinig van hun werk is overgebleven, kan vanaf die tijd gesproken worden van een echte Utrechtse sculptuurtraditie. Omstreeks 1500 werden er in de Domstad niet minder dan 29 beeldhouwersateliers geteld.

Enkele van de meesters die daar werkten zijn nog bij naam bekend: onder hen is Adriaen van Wesel de bekendste, en ook Jan van Schayck is als zelfstandig beeldhouwer gedocumenteerd. Van zijn hand is een reeks van acht gewelfschotels uit 1497, met in het midden de schitterend gedetailleerde bustefiguur van God de Vader, vergezeld van de koppen van drie kerkvaders (de vierde is verloren gegaan) en de symbolen van de vier evangelisten.

De meeste van de meer dan negentig stukken in de tentoonstelling zijn van de hand van onbekende meesters. De Utrechtse kunstenaars maakten beelden en reliëfs van elegante figuren, met zwierige draperieën en gedetailleerde gezichten. Soms zijn ze sereen en bijna grafisch weergegeven, zoals in een zeer ondiep reliëf met Madonna met kind dat ooit deel uitmaakte van de decoratie van een schoonsteen. Kenmerkend voor veel Utrechtse reliëfs is Maria’s haar dat, als was het elektrisch geladen, wijd uitstaand om haar hoofd staat. Veel expressiever zijn de koppen van fragmenten van figuren van een groep stenen beelden uit 1494 die de bewening van de gestorven Christus voorstelde. Passend bij de smartelijke thematiek zijn de verwrongen gezichten van de omstanders, met diepe rimpels en omwalde ogen.

Ontsnapt aan de Beeldenstorm, heet de expositie, maar veel van de getoonde werken, zoals de anonieme beweningsgroep, zijn er bepaald niet zonder kleerscheuren vanaf gekomen. Veel beelden zijn beschadigd, onthoofd of anderszins gemutileerd door vernielingen van woedende protestanten in de zestiende eeuw.

Toch zijn er ook opvallend gave stukken overgeleverd. Twee houten kasten met voorstellingen van de visoenen van keizer Augustus en Johannes de Evangelist, sleutelstukken in het oeuvre van Adriaen van Wesel, zijn daar voorbeelden van. Het retabel waar de reliëfs deel van uitmaken stond tijdens de Beeldenstorm van 1566 in de kapel van de Illustere Lieve Vrouwe broederschap in de Sint-Jan in ’s Hertogenbosch. De broederschap, die het werk in 1475 had besteld, liet bijna een week lang zes soldaten op wacht staan ter bescherming van het retabel. Daarna werd het uit elkaar gehaald en opgeslagen. De twee kasten die de broederschap pas veel later weer herontdekte, worden nu voor het eerst in een expositie getoond.

De faam van de Utrechtse beeldhouwkunst strekte zich uit tot in de uithoeken van Europa, van het Spaanse Segovia tot in Noorwegen. Voor een kerk in Emmerich leverde een beeldsnijder uit de Domstad fraaie, langgerekte figuren van de heiligen Agnes en Catharina. Het is opvallend dat er zelfs opdrachten kwamen uit deze stad, waar destijds bepaald geen nood bestond aan magnifieke beeldhouwers.