Oppositie en loyaliteit

PVV-leider Geert Wilders vestigde gisteren een naoorlogs record. Al in het debat over de regeringsverklaring diende hij een motie van wantrouwen tegen het hele kabinet in en dat is van het kabinet Schermerhorn-Drees (1945-1946) tot en met het eerste kabinet Rutte (2010-2012) niet voorgekomen.

Wel kreeg het vijfde kabinet-Colijn bij zijn aantreden in 1939 direct een motie van wantrouwen te verwerken. Die werd aangenomen, waardoor dat kabinet moest opstappen. Dat is het grote verschil met de motie-Wilders van gisteren. Die werd alleen door zijn eigen PVV gesteund (15 van de 150 zetels), een illustratie van het isolement waarin de grootste oppositiepartij zich bewust heeft begeven.

Nochtans speelt de oppositie een cruciale rol de komende jaren. Wil het tweede kabinet-Rutte kans maken op verwezenlijking van zijn plannen, dan is het van de steun van oppositiepartijen afhankelijk; het moet (wisselende) meerderheden achter zich zien te krijgen omdat de coalitie van VVD en PvdA in de Eerste Kamer voorlopig niet over een meerderheid beschikt.

De economische krimp van Nederland, die vandaag door het CBS werd bekendgemaakt, is een onderstreping van de noodzaak dat harde kabinetsmaatregelen gebaat zijn bij een breed politiek en maatschappelijk draagvlak. Hetzelfde geldt voor een eventuele bijstelling van dat beleid, dat zwak scoort als het gaat om stimulering van de economie op de korte termijn.

PvdA-leider Samsom haalde gisteren de „smalle marges van de politiek” (dixit zijn verre voorganger Den Uyl) erbij om aan te geven hoe klein feitelijk de verschillen zijn tussen kabinet en oppositie. Waar het regeerakkoord, inclusief al eerder aangekondigde maatregelen, uitkomt op een bezuiniging van 46 miljard, snoeit de SP 42 miljard. Niet alleen het kabinet maar ook het CDA is uitgegaan van een economische groei van 1,25 procent. Er zijn tussen regering en oppositie meer overeenkomsten dan verschillen, bedoelde Samsom.

Premier Rutte stak gisteren opnieuw de hand uit naar de oppositie, zich ervan bewust dat hij het niet zonder vertrouwen van het parlement kan stellen. Dat deed hij met zijn eerste, mislukte minderheidskabinet (VVD, CDA, gedoogsteun PVV) ook. Met wisselend succes en zijn samenwerking met de PVV, die hijzelf gisteren als „een fout” bestempelde, is hem eigenlijk nooit vergeven.

Voormalig CDA-leider Heerma sprak in het verleden over „hare majesteits loyale oppositie” en zijn D66-collega Van Mierlo wilde weleens „oppositie voeren voor het kabinet”. Van huidige oppositiepartijen als CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie, kan en mag een soortgelijke houding worden verwacht. Ook zonder hun eigen opvattingen te verloochenen, kunnen zij bijdragen aan verstandig beleid.