Nu niet meer zeuren over de koopkracht

Het debat over het regeerakkoord richt zich op de koopkracht en op de schrikverhalen van het met cijfers goochelende kabinet. Dit is niet terecht, vindt Flip de Kam.

Ook achter de puntenwolken die dreigend boven het politieke landschap hangen, schijnt de zon. In deze kabinetsperiode verliezen huishoudens in doorsnee geen koopkracht. Individuele huishoudens dansen rondom de nullijn. Er zijn uitschieters, maar voor meer dan 95 procent van de kostwinners en tweeverdieners ligt de koopkrachtverandering in de periode 2013-2017 tussen plus 2 en min 2 procent per jaar.

Dit blijkt uit cijfers van het Centraal Planbureau, waar medewerkers de afgelopen weken vele onbetaalde overuren maakten om de informatiehonger van politici te stillen.

Koopkrachtcijfers spelen een veel te dominante rol in het maatschappelijke en politieke debat. De CPB-overzichten bestrijken slechts 85 procent van de huishoudens en ze zijn ‘statisch’. Gevolgen van veranderingen in de leefsituatie, zoals promoties, werkloos raken en met pensioen gaan, blijven buiten beeld. Bovendien neemt het CPB sommige maatregelen niet mee, zoals de beoogde bezuiniging van 2,7 miljard euro op de zorg thuis. Het planbureau wordt niet moe die beperkingen te beklemtonen, maar tevergeefs.

Inmiddels straalt het kabinet de verkeerde boodschap uit. Voor 46 miljard euro aan bezuinigingen en lastenverzwaringen zouden op de rol staan om het tekort op de overheidsbegroting terug te dringen. Niemand wordt gespaard, aldus de mantra van Rutte en Samsom.

Het effect is volkomen voorspelbaar. Consumenten houden de komende tijd nog angstvalliger de hand op de knip. Plannen om te verhuizen, worden opgeschort. Zo verlengt en verdiept het kabinet nodeloos de recessie.

Het gerommel met begrotingscijfers is onthutsend. In het bedrag van 46 miljard euro is een erfenis van 18 miljard inbegrepen van de kabinetten-Balkenende IV en -Rutte I. Deze maatregelen zijn volgend jaar al voor een groot deel geëffectueerd. Hun gevolgen voor de economie en de koopkracht zijn verwerkt in het ‘basispad’, waartegen het CPB de gevolgen van het regeerakkoord afzet.

Een zorgvuldiger cijferpresentatie gaat als volgt. Vanaf dit najaar tot 2018 krijgen werkenden en uitkeringsontvangers te maken met de gevolgen van het Begrotingsakkoord 2013 van de Kunduzpartijen (13,5 miljard euro), plus de impact van het ijlings bijgestelde regeerakkoord (15 miljard). Deze laatste inzet strookt met het verkiezingsprogramma van de PvdA. De sociaal-democraten hebben dus niet alleen hun zin gekregen wat betreft nivellering, maar ook bij de omvang van de maatregelen die het tekort verminderen. De VVD wilde hiervoor 16 miljard euro inzetten, blijkens de doorrekening van haar verkiezingsprogramma.

Beide pakketten samen – dus van 28,5 miljard euro – bestaan voor 17 miljard uit bezuinigingen en 11,5 miljard aan lastenverzwaringen. Hiervan is 4 miljard al gerealiseerd door de recente btw-verhoging. Het CPB denkt dat onze economie in deze kabinetsperiode zal groeien met 5 procent . Reëel, gecorrigeerd voor de geldontwaarding, verdient Nederland in 2017 ( in prijzen van dat jaar) dan 33 miljard euro meer dan nu . Tegen die achtergrond oogt de budgettaire opgave uit het regeerakkoord een stuk minder schrikaanjagend.

Inderdaad is er de komende jaren sprake van een zekere herverdeling van hoge naar lage inkomens. Het is het meest zuiver om hiervoor gebruik te maken van de inkomstenbelasting. Zij heet een heffing naar draagkracht te zijn.

Het kabinet kiest na de aanpassing van het regeerakkoord voor gefröbel met heffingskortingen. Dit zijn bedragen die belastingplichtigen mogen aftrekken van de in eerste aanleg over hun inkomen berekende belasting. Straks slinkt de aanspraak op zulke heffingskortingen, naarmate iemand meer verdient. Bij een inkomen boven de 110.000 euro raken economisch actieven bijvoorbeeld de hele arbeidskorting – dit jaar 1.611 euro – kwijt. Zij gaan, alleen hierdoor, maandelijks dus 135 euro meer belasting betalen.

Het zou zuiverder zijn als het kabinet de heffingskortingen met rust had gelaten en in plaats daarvan de tariefpercentages voor de hogere inkomensgroepen wat had verhoogd. De ingreep bij de arbeidskorting raakt veelverdieners in verhouding minder hard, naarmate hun inkomen verder boven de 110.000 euro ligt. Bij zo’n tariefingreep springt de nivellering in het oog. Daarom verkozen de liberalen de sluipweg van inkomensafhankelijke heffingskortingen. Samsom heeft de VVD deze ontsnappingsroute gegund.

De zorgpremies zijn niet het meest geschikte breekijzer om te wrikken aan de inkomensverhoudingen. Toch getuigt het protest tegen de oorspronkelijke kabinetsplannen van een wijdverbreid misverstand. De collectief gefinancierde gezondheidszorg wordt immers – afgezien van het eigen risico – ook nu al volledig inkomensafhankelijk gefinancierd, via de premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en via de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. De vaste maandpremie van ruim 100 euro, die mensen aan hun zorgverzekeraar betalen, is in feite ook inkomensafhankelijk, doordat huishoudens met een laag inkomen meer zorgtoeslag ontvangen. Het oorspronkelijke kabinetsplan scherpte de inkomensafhankelijke financiering van de zorg dus slechts aan.

Het debat over de koopkrachtgevolgen van het regeerakkoord zal wel aanhouden, maar er zijn veel belangrijker onderwerpen: bijvoorbeeld de opstelling van Nederland in Europa of bevordering van de economische groei. Graag aan de slag daarmee.

Flip de Kam is honorair hoogleraar economie van de publieke sector aan de Rijksuniversiteit Groningen, voormalig Kamerlid voor de PvdA en medewerker van NRC Handelsblad.