Nijhoff-vertalersprijs voor Reina Dokter

Reina Dokter (1953) is dolblij met de Martinus Nijhoffprijs voor haar vertalingen uit het Servo-Kroatisch. „Van de zomer kreeg ik het al te horen”, zegt ze. „Ik maakte een fietstocht langs de Oostzee toen ik werd gebeld door het Prins Bernhard Cultuurfonds, die de prijs heeft ingesteld.” Vandaag is bekend gemaakt dat ze de prijs krijgt.

De Nijhoffprijs is niet Dokters eerste bekroning, want in 1993 kreeg ze al de Aleida Schotprijs voor haar vertalingen van twee romans van Danilo Kiš en een van Aleksandar Tišma, twee grote Servische schrijvers, die beiden de Tweede Wereldoorlog als rode draad in hun werk hebben. Dat ze twintig jaar later ook nog de Nijhoffprijs krijgt, ziet ze als een dubbele bekroning, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de boeken die ze heeft vertaald.

Dankzij Dokters inspanningen konden Nederlandse lezers voor het eerst genieten van Kiš’ romans Kinderleed, De Zandloper , Tuin en as, een poëtisch geschreven familietrilogie waarin de verteller aan de hand van hallucinerende jeugdherinneringen een beeld probeert te scheppen van zijn ‘verdwenen’ vader, een Joodse spoorwegingenieur die door de nazi’s in Auschwitz is vermoord. Dat die boeken in Nederland niet verkocht werden en in de ramsj belandden, heeft meer met de smaak van het lezerspubliek te maken, dan met de literaire kwaliteiten van Kiš en Dokter.

„Kiš is na al die jaren nog steeds mijn favoriet”, vertelt ze over de schrijver die in 1989 op 54-jarige leeftijd overleed en een klein, maar indrukwekkend oeuvre naliet. „Hij is ook het moeilijkst te vertalen. Je krijgt slechts met grote moeite greep op zijn stijl. Toen ik hem begon te vertalen stond ik bovendien aan het begin van mijn carrière en had ik nog niet zoveel ervaring.” Na Kiš en Tišma volgden zo vele andere groten uit de Servische literatuur, zoals Milorad Pavic, Vidosav Stefanovic, Borislav Cicovacki. Reina Dokter werd een begrip in vertalerskringen. Het vertalersvak leerde ze als student aan de Universiteit van Amsterdam van Lela Zeckovic, de vrouw van dichter Hans Faverey. „We kwamen met twee à drie studenten aan en kregen dus grammatica en spreekvaardigheid in kleine groepjes. Het is de beste manier om een taal te leren.”

Het was ook de tijd dat ze naar Joegoslavië ging en bewondering koesterde voor de man die die veelvolkenstaat bijeen hield, maarschalk Tito. „Ik ging er drie keer per jaar een paar weken naartoe”, zegt Dokter. „Ik was een beetje een gelovige. Pas na zijn dood kwam ik erachter dat er onder hem ook heel ellendige dingen waren gebeurd. En ook had ik niet verwacht dat er zoveel bloed zou vloeien.”

De 35.000 euro aan prijzengeld die ze nu van het Cultuurfonds krijgt zijn welkom. „Een vertaler kan in Nederland niet leven van zijn inkomsten. Daarom heb ik een halve baan bij een verzekeringsmaatschappij in Zoetermeer om rond te kunnen komen. Tot het uitbreken van de Joegoslavische burgeroorlog in 1991 werkte ik voor bedrijven die handel dreven met Joegoslavië en voor reisorganisaties. Maar toen het mis ging was daarmee niets meer te verdienen.” Ook na het winnen van de Nijhoffprijs lonkt er geen vertalersparadijs voor Dokter aan de horizon. Als gevolg van de economische crisis zijn Nederlandse literaire uitgeverijen buitengewoon voorzichtig met het op de markt brengen van nieuwe vertalingen. Zeker als het om schrijvers uit Oost-Europa en de Balkan gaat, die doorgaans niet op een groot publiek kunnen rekenen. omdat dit denkt dat ze te moeilijk en niet grappig genoeg zijn. „Ik heb nu niets om handen”, zegt ze. „Ik heb nu een boek in huis van de Djordje Lebovic, een inmiddels overleden Servisch-Joodse schrijver. Het gaat over zijn jeugd en jonge volwassenheid in Noord-Servië, waar de Joodse bevolking zich zorgen maakt over de opkomst van de nazi’s in Duitsland. Prachtig, geheel in de sfeer van Danilo Kiš. Ik hoop nu dat een uitgever er iets in ziet, zodat een Nederlands publiek hem kan leren kennen.”

Michel Krielaars