Manu Katché drumt naar ritmische en bezonken dromerige sferen

Manu Katch in LantarenVenster, Rotterdam, november 2010. Foto Andreas Terlaak

Jazz Manu Katché: Manu Katché

Hij omschreef het zelf eens als een busy flow. De Franse drummer Manu Katché geeft niet zomaar het tempo aan, hij versiert maten met bewegingen zo sierlijk al ballet. Het zijn mooie figuren op onder meer de splashes, de mini-bekkens waarmee hij kleur en melodie aanbrengt. Die creatieve invulling onderscheidt hem van andere drummers – zijn stijl mag losjes lijken maar draagt de hele band.

Manu Katché (1958, St. Maur des Fossés), die een klassieke opleiding heeft genoten op het Parijse conservatorium, speelt instinctief. Naam maakte hij als popdrummer bij Peter Gabriel en Sting. Op jazzgebied speelt hij al sinds 1989 met saxofonist Jan Garbarek, de overleden pianist Michel Petrucciani en in tal van eigen jazzbands. In 2005 debuteerde hij op het kwaliteitsjazzlabel ECM. In Frankrijk is hij breder bekend geworden als het meest strenge jurylid van het Franse Idols-programma.

Katché maakt jazz met minimale thema’s, toegankelijke grooves en open structuren. Soms op het gehoor wat mainstream, voorzichtig en wellicht risicoloos, maar altijd weer genoeg prikkelend in opbouw, mede doordat hij interessante musici om zich heen verzameld.

Zijn vierde album voor ECM is uitgekomen onder zijn eigen naam. Hierop speelt hij met een basloos kwartet, waarin het Hammondorgel van de Brit Jim Watson vaak de basrol vervult, en twee Noorse improvisatoren, trompettist/elektronicakunstenaar Nils Petter Molvaer en saxofonist Tore Brunborg, zich buigen over de bovenste muzieklagen.

De soepele elegante composities van Katché rollen uit in aangename ritmische sferen, bezonken dromerig in emotionele contrasten, maar ook opgewekt, soepel swingend met funkinvloeden. Molvaer toont op trompet zijn kracht als lyrische lijntrekker, Brunborg heeft een wat gladdere sound die soms weinig zegt. Er mag wel wat breder uitgehaald worden.

Katché soleert zelf weinig op deze plaat. Hij laat zijn stukken ademen, met iets te veel bescheidenheid. In Short Ride breekt dat open, maar in Loose, tegen het einde van het album, gaat Katché pas echt los met vurig soleerwerk.