Koppen aan de waslijn

Recentelijk kantelde het leven van Rascha Peper 180 graden door slecht nieuws. Door een ziekte moet ze haar ambitieuze roman zomaar in de wacht zetten.

De afgelopen zomer heb ik de verhalen van Pirandello herlezen, die grootmeester van de Italiaanse vertelkunst. Er is één verhaal bij dat ik, toen nog volop aan het werk en onkundig van het feit dat ik binnenkort grotendeels werkeloos op bed zou liggen, met een glimlach en zonder er verder over na te denken las, maar dat me nu door het hoofd blijft spelen. Het is Bang voor de slaap uit 1928.

Een poppenmaker in een klein Siciliaans dorp, befaamd om zijn kunstzinnige marionetten, maakt zich zorgen over de voortgang en verkoop van zijn productie. Hijzelf werkt hard en maakt de prachtigste koppen voor het poppentheater, maar zijn vrouw, die er de pruiken en de kleren op moet naaien, lijdt aan een mysterieuze slaapziekte. Nauwelijks heeft ze twee, drie steken gedaan of ze sukkelt in slaap en is niet meer wakker te krijgen. Aan waslijnen die over de binnenplaats gespannen zijn, hangen de geboetseerde koppen van prinsen, prinsessen, schavuiten en generaals te drogen tot ze van haar en een passend kostuum worden voorzien, maar ze blijven kaal en blikken de poppenmaker de hele dag verwijtend aan. Wanneer worden wij nu eens aangekleed?

Ik ben nu die poppenmaker. Ik had een ambitieuze roman op poten staan, minstens vijf- of zeshonderd bladzijden moesten het worden, met vijf hoofdpersonen over verschillende tijdlagen. Hij verkeerde in het stadium waarin de ergste twijfels over zijn bestaansrecht achter de rug waren en verschillende personages al waren uitgegroeid boven hun bloedeloze status van bedenksel in het hoofd van de schrijver. Ze leefden al een beetje en begonnen hun eigen, grillige eisen te stellen om hun bedenker te tarten en uit te dagen.

En nu, terwijl ze zich met zijn vijven zo levenslustig opmaakten om het boek te gaan dragen dat alle vorige boeken overbodig maakt, dat begrijpt u, zijn ze in de wacht gezet. Zomaar, door zo’n stomme ziekte. Ze snappen het niet en ze pikken het niet. Waar blijft ze met haar beschrijvingen en haar ideeën die wij lekker kunnen dwarsbomen en een veel betere richting op kunnen sturen? Ze ligt op bed, godbetert!

Ik staar over de binnenplaats en zie ze bungelen aan hun waslijn. De verdwaasde ornitholoog die op het Nieuw-Guinea van de jaren vijftig achter het door westerlingen uitgestorven gewaande, maar door de Papoea’s nog regelmatig opgegeten Bruijns boshoen aanjaagt. Jij gunt me dat beest niet, zegt hij, maar reken maar dat ik er een te pakken krijg! De milde, oude vrouw, wier geheim ik wilde prijsgeven, maar dan moet ik wel opschieten, anders is ze zelf al dood. Haar ex-minnaar in het verre New York. De frauderende wetenschapper met een sarcastisch lachje om de mond. Jij vond dat ‘zo iemand als ik’ nodig eens in een roman moest? Haha, je weet de helft nog niet, je zal nog opkijken! De ondernemende jonge studente, op zoek naar de ultieme fiftiesjurk. Waar blijft haar opblaasbare petticoat?

De pruiken blijven ongeknoopt, de kleren ongenaaid. De koppen hangen verongelijkt te draaien in een briesje. Maar ik heb één ding voor op die poppenmaker: ik ben niet afhankelijk van iemand die slaapt. Ik kan de kleren zelf nog maken en dat zal ik, met een beetje extra tijd, doen ook. Wat simpeler dan ze graag zouden willen misschien, maar vol overgave. Ze mogen nog niet klagen, daar aan die waslijn.