Jonge kunstkopers over hun passie

Op de kunst- en antiekbeurs PAN die vanaf zondag 18 november in de RAI in Amsterdam wordt gehouden, lopen veel verzamelaars met een bescheiden beurs maar een groot verlangen. Hoe doen ze het? En wat beweegt ze?

Marco de Bock (rechts) met zijn partner Erik. De piëdestal staat in de hoek. Foto’s Bram Budel

Hij zou wel willen weten hoe een scan van zijn hersens eruitziet, gemaakt op het moment dat hij oog in oog staat met een kunstwerk dat hij wil kopen. „Veel hoeken van de hersenen zullen oplichten, want het is zo’n moment waarop impulsen, driften én je analyserende vermogens tegelijk aan het werk zijn.”

Kai van Hasselt (31) verzamelt kunst sinds hij een tiener was. Hij is PAN-loper en PAN-koper, beschikt over een bescheiden budget, maar ziet altijd weer kunstwerken die hij absoluut moet en zal hebben. Net als zo’n acht procent van de meer dan 50.000 bezoekers die de kunst- en antiekbeurs vorig jaar trok. Lang niet iedereen onder die kopers is vermogend. Van Hasselt: „Iedereen kan kunst verzamelen. Als student had ik een bijbaantje waarvan ik het salaris niet omzette in bier, maar in kunst.” Zijn vriendin Katrien vertelt dat Van Hasselt, toen ze hem ontmoette, op een piepklein bovenkamertje woonde, tjokvol schilderijen, in rijen op de grond. Van Hasselt: „Ja, op woonruimte bespaarde ik ook. Alles om geld over te houden voor de kunst.” Op zijn negentiende kocht hij voor ongeveer 1.000 euro een collage van Mark Mulders, in een galerie op de Keizersgracht.

Er is weinig onderzoek gedaan naar de drijfveren van kunstverzamelaars. Geïnteresseerden moeten het nog altijd doen met het niet vertaalde Psychologie des Kunstsammelns van Adolph Donath, uit 1911. Daarnaast zijn er natuurlijk de psychoanalytische verklaringen, zoals van Freuds leerling Wilhelm Stekel. Maar die klinken in hedendaagse oren vergezocht, met fetisjen en seksuele driften in de hoofdrol – natuurlijk. De vermogende, bekende collectioneur Joop van Caldenborgh zei eens, tijdens een publiek optreden over verzamelen, dat hij op alle vragen antwoord gaf, behalve die naar psychoanalytische duidingen van zijn verzamelzucht. „Aan die onzin wil ik geen woorden vuil maken.”

Van Hasselt kwam door de film Citizen Kane van Orson Welles tot het inzicht dat kunst verzamelen waarschijnlijk te maken heeft met een drang tot compenseren: „Als Kane op zijn sterfbed ligt en de naam van het sleetje uit zijn jeugd sputtert, dan raakt het me dat hij zijn leven lang prachtige kunst heeft verzameld.”

Heeft Van Hasselt ook iets te compenseren? „Moeilijk te zeggen. Maar het is wel zo dat mijn eerste echte verzamelactie plaatsvond nadat ik, door een speling van het lot, mijn zogenoemde ‘majokit’ had verloren, speelgoed van een Frans merk. Het was niet meer in de handel. Toch heb ik in één zomer enorm veel ervan bij elkaar gekocht, in ieder Frans stadje waar ik met mijn moeder doorheen reisde.”

Leven in je verzameling

Marco de Bock (49) en zijn partner Erik (41) zijn zich niet bewust van enige compensatiedrang. Ze zeggen dat het lot „een gevoel voor schoonheid” in ze heeft wakker gemaakt. Dat begon in 2004, toen ze tijdens een dagtripje naar Rotterdam schuilden voor de regen. Ze belandden in de winkel Kanne & Kruike en kochten drie vazen. „Daar begon het”, zegt Erik, werkzaam in de IT. „Sindsdien zijn we in de ban”, aldus Marco, ambtenaar op het ministerie van Financiën. Hun smetteloze portiekwoning („schoenen uit graag”) staat vol sierlijke art nouveau en hoekige art deco. Kasten, tafels, affiches, lampen, een anderhalve meter hoge smeedijzeren piëdestal van ontwerpers Nics Frères („ons topstuk”) en twee vitrinekasten vol glaswerk.

Anders dan Van Hasselt, koopt het Jugendstilechtpaar niet voor kelder of kast. „Dat was anders toen ik als jongetje munten verzamelde”, zegt De Bock: „Munten bijvoorbeeld, en puntenslijpers. Jammer genoeg kun je daar niet in wonen. Het mooie van toegepaste kunst is dat je kunt leven in je verzameling.”

Maar wat als ze op de PAN een prachtige bank vinden én kopen? Ze verkopen niet, dus dan moet die toch ergens naar toe? „Het mooie van verzamelen is dat je smaak ontwikkelt. Je leert kijken, verkrijgt kennerschap. Bijkomend voordeel daarvan is dat je minder snel blij bent. Vroegen wilden we alles wel kopen. Nu alleen objecten die van echt hoge kwaliteit zijn. Die zijn duur. En dus koop je minder.”

Ze verheugen zich enorm op een complete eetkamerset van de Amsterdamse-schoolarchitect Michel de Klerk die de zaak Kunstconsult zal etaleren op de PAN. Een van hen: „Het valt ver buiten ons budget. Maar ik ga er gewoon verlekkerd omheen lopen.” Bovendien, zeggen de heren, op de PAN is er genoeg dat wel binnen financieel bereik ligt. Bij de grote broer van de PAN, de Tefaf in Maastricht, is dat anders. „Daar gaan we ook naar toe. Maar dan is het: kijken en de rest erbij denken.”

Kunstenaars zijn vuurpijlen

Serieuze verzamelaars kopen „tegen de pijngrens aan”, zoals Van Hasselt het noemt, al werkt dat bij iedereen net anders. Het echtpaar heeft bijvoorbeeld een apart potje voor de kunstaankopen, ze hebben zichzelf een heldere limiet gesteld. Van Hasselt koopt daarentegen ook op afbetaling. Hij heeft een consultancy adviesbureau en toen de crisis in 2008 zijn financiële huishouding hard trof, bleek het moeilijk een schilderij af te betalen dat al bij hem aan de muur hing, boven de box, van de Oostenrijke kunstenaar Tillman Kaiser. „En toen zag ik op een kunstbeurs in New York een werkelijk prachtige sculptuur van de Koreaan Haegue Yang, voor een belachelijk lage prijs. Maar te hoog voor mij, omdat ik dat andere werk nog moest afbetalen. Dat is een vreselijke ervaring.”

Van Hasselt spreekt over „een schaduwverzameling” van werken die hij niet heeft kunnen kopen. Soms ziet hij de waardestijging van werken uit die verzameling. „Kunstenaars zijn soms net vuurpijlen. Als ze eenmaal de lucht in schieten, kan ik er niet meer bij. Maar daarvoor...”

Is het frustrerend dat captains of industry en bankdirecteuren voor meer dan 50 miljoen dollar een enkel schilderij kopen? „Helemaal niet! Ook miljonairs kopen meestal langs hun pijngrens. Dat is goed. Want wie tegen de pijngrens koopt, moet echt goed nadenken eer hij toeslaat. Bovendien is het mooi dat zij niet omkijken naar kunst goedkoper dan 100.000 euro. Anders kochten ze alles weg dat jongere verzamelaars heel interessant vinden.”