‘Een vrolijk schilderij kan ik blijkbaar niet maken’ Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering 23: de internationaal vermaarde Belgische schilder en beeldend kunstenaar Luc Tuymans (1958). Hij woont en werkt in Antwerpen.

‘Ik heb twee werkplekken. Mijn studio in de haven en mijn atelier in het centrum van Antwerpen. In het atelier kom ik alleen om te schilderen. Een ruimte van 460 vierkante meter met 28 lichtkoepels, waardoor je bij prachtig daglicht kunt schilderen. Er hangen speciale neonlampen die in de avond een licht geven dat daglicht benadert, en bij felle zon schuift er witte zonwering voor alle koepels. In de studio ben ik echter veel vaker. Daar vindt het denkwerk plaats, zoek ik dingen op, maak ik polaroids, bewerk ik beelden. Ik werk volgens verschillende methodes; een recente is dat ik met mijn iPhone een foto ergens van maak en daarmee verder ga. Dat kan een foto zijn van een still van een oude film, een schilderij van Gauguin, maar ook van hedendaagse dingen die ik zie en die mij aanspreken; de nabijheid van dingen, en tegelijkertijd de ondoordringbaarheid daarvan. Het kapotte ruitje, een jasje aan de kapstok, een been in een Eames Lounge Chair, een kopje chocolademelk dat omvalt. Soms bewerk ik zo’n beeld nog op de iPad. Daarna wordt er een kopie gemaakt, op papier. En daarmee ga ik naar het atelier om te schilderen.

Ik schilder enkel op donderdag. De doeken zitten nog niet op een spieraam, ze hangen aan de muur gespijkerd. De buitenste rand gebruik ik als mengpaneel. Op een tafel liggen grote klodders verf in alle kleuren. De dag voor ik ga schilderen ga ik de verf zelf kopen in de winkel; dat ritueel is onderdeel van mijn voorbereiding. Bij het schilderen gebruik ik een handspiegel, om te zien of het ook in gespiegelde vorm klopt. Ook kan ik zo de afstand tussen maker en beeld verdubbelen.

Ik begin om tien uur ’s morgens en ga door tot het af is, meestal in de avond. Ik werk het liefst alleen, in stilte. Een schilderij moet in één dag klaar zijn. Dat is nog altijd een extreme drang: het moet in één keer goed zijn. Mensen moeten als ze er naar kijken niet eerst zien hoe het gemaakt is. Nee, eerst de ervaring van het beeld, dat moet het werk doen. Als ik ga beginnen weet ik al exact hoe ik het ga schilderen. Alle schilderijen zet ik eerst op met potlood. Tot in detail. Daarna ga ik er met verf overheen, ik volg het spoor van het potlood. Eerst wordt de lichtste kleur gezet, over het wit heen. Dat is de basis. Met een lijn zet ik het contrast neer, de lijn tussen licht en donker, en dat wordt daarna ingevuld. Ik begin met licht, daarna telkens een donkerder tint. Het donkerste ligt altijd bovenop. Daar gaat het licht van stralen.

Een dag op het atelier is een zeer nerveuze dag. De eerste paar uur helemaal; dan zie ik het contrast nog niet, het duurt te lang, kijk me bijna blind. Pas als het contrast zichtbaar wordt, begint het kwartje te vallen. Dan komt het plezier. Het is heerlijk als het lukt, als je middenin het proces beseft dat je al over de helft bent en het geknoei achter je hebt gelaten.

Het is van groot belang dat je op tijd stopt. Dat je het moment voor bent dat je alleen nog maar gaat prutsen, dingen kapot maakt. Lukt een werk niet, dan wordt het gewoon weggesmeten. Ik maak zo’n 26 schilderijen per jaar. Er staat bij mij vrijwel niets in opslag; van twee komende grote tentoonstellingen in Londen en New York zijn alle werken al verkocht.

In mijn werk heb ik vaak zware thema’s verwerkt, zoals de Holocaust, kolonialisme. En mijn overige werk heeft ook iets sombers over zich. Ik heb het wel eens geprobeerd, een vrolijk schilderij, maar blijkbaar kan ik dat niet maken. Laatst maakte ik een paar kleurrijke schilderijen op Gauguin: daar kan men ergens iets vrolijks in ontwaren. Maar dan nog zit die somberheid er onder. Ik ben nu eenmaal geen optimistisch mens. Politiek komt vaak terug in mijn werk. Het Vlaams nationalisme – het maakt me razend dat mensen zo dom zijn. Ik zal niet zeggen dat de jaren dertig terug zijn, maar de speech op het gemeentehuis van onze nieuwe burgemeester Bart de Wever kwam wel redelijk in die richting. En moderne kunst kan ook weg van de N-VA: ‘Er is toch niemand die dat snapt’.

Het portret van Beatrix dat nu in het Stedelijk Museum hangt was de tweede keer dat ik in opdracht schilderde. Ik ken Beatrix vrij goed en wilde dit graag doen, want ik vind haar een aardige en intelligente vrouw. In samenspraak met haar is voor de Oranjezaal van Huis ten Bosch gekozen, waar een achtergrondschildering is met veel historie. Daar poseerde ze, ik maakte foto’s van haar. Ze was best zenuwachtig. De foto die ik maakte op een onbewaakt moment was het beeld dat ik van haar wilde schilderen. Ik wilde dat het een waardig portret zou worden, en toch ook menselijk. Het blijft het staatshoofd, maar het moest een écht portret zijn. Ze heeft veel meegemaakt aan tragiek en zoiets is natuurlijk af te lezen aan iemands gezicht. Maar ik was niet echt bezig met een psychologische interpretatie – bovendien moest het niet alleen een portret van Beatrix zijn maar ook een Luc Tuymans. Veel Nederlanders dachten dat mijn portret haar zou kwetsen of beledigen, maar de koningin zelf is er juist blij mee. Bij de opening droeg ze dezelfde jurk.”