Diane Arbus

Diane Arbus zien betekent nog niet Diane Arbus begrijpen. Waarom was ze zo obsessief geïnteresseerd in extreem excentrieke mensen, en wat bewoog haar tot zelfmoord nadat ze als fotograaf groot succes had gekregen?

Op de tentoonstelling van haar werk in het Amsterdamse Foam krijg je nauwelijks antwoord op zulke vragen – daar is zo’n tentoonstelling ook niet voor. Er zijn wel enkele achterafzaaltjes met persoonlijke documenten van Arbus. Daar tref je citaten aan waarin ze haar werk toelicht, zoals dit: „Dit zijn unieke mensen die verschijnen als metaforen ergens verder weg dan wij doen, wenkend, niet dwingend, ontstaan door geloof, auteur en held van een werkelijke droom (...).”

Interessant, maar ik had er niet voldoende aan en besloot daarom na afloop nu eens niet een fotoboek van de kunstenaar te kopen, maar een biografie, die uit 1984 van Patricia Bosworth.

Werd ik er veel wijzer van? Wél als het gaat om de feiten van haar leven. Bosworth verstaat haar vak en graaft via getuigenissen en research diep in dit woelige leven dat van 1923 tot 1971 duurde. Je ziet hoe Arbus, dochter van welgestelde Joodse ouders, moeizaam een persoonlijke weg in de fotografie vindt. Ze krijgt aansluiting bij de sociale fotografie van giganten als Robert Frank en Walker Evans, maar weet zich van hen te onderscheiden met de portretten van haar ‘unieke mensen’, voor de buitenwereld zonderlingen, of sterker: freaks.

Wat dreef haar naar juist die ‘onderwerpen’? Bosworth is daar onvoldoende expliciet over, maar de feiten die ze opdient suggereren een voyeuristisch-exhibitionische aanleg. Het zal geen toeval zijn dat ze onthult hoe Arbus zich thuis als meisje geregeld voor het raam ontkleedde en voor iedereen zichtbaar masturbeerde.

In seksueel opzicht was en bleef ze ongeremd. Iedere man die vriendelijk tegen haar was, mocht met haar naar bed, vertelt een vriend. Een Engelse journalist die bij haar op bezoek kwam, kreeg meteen een uitnodiging om samen met haar een avondje groepsseks te bezoeken. Zij fotografeerde en deed soms mee. Seks, vertelde ze, was voor haar een middel om door iemands façade heen te breken: het was de snelste manier om iemand zo goed mogelijk te leren kennen.

Fotografie was ook zo’n manier. Ze bombardeerde haar onderwerpen met haar aanwezigheid, veel pratend over zichzelf, luidkeels vragen stellend en ondertussen onbarmhartig de flitslamp hanterend. Ik zie haar als een kunstenaar die, al of niet bewust, steeds op zoek was naar mensen met wie ze verwantschap voelde, mensen die in hun openlijk beleden excentriciteit verder gingen dan zij durfde. Want zij bleef toch, onzeker als ze was, enigszins gehecht aan de burgerlijke kant van het bestaan.

Ze wilde een carrière, beroemd worden. En ze wilde de ongebroken aandacht van de (drie) geliefden met wie ze een belangrijk deel van haar leven had doorgebracht. Toen die mannen op den duur hun eigen weg gingen, brak er iets in haar. Ze werd, hoe beroemd ook, een dolende ziel in New York.

Als ze niet fotografeerde, zakte ze weg in de zware depressies die haar al vanaf haar jeugd teisterden. Dan belde ze haar moeder en vroeg: „Mammie, vertel me over jouw depressies en hoe je er overheen kwam.” Dankzij de fotografie kon ze zichzelf lang ontvluchten, totdat ze tegen een vriend zei: „Mijn werk heeft me niets meer te bieden.”

Niet lang daarna maakte ze er een einde aan.