De werkloosheid kleurt grijzer

De werkloosheid stijgt. Vooral voor 50-plussers is het moeilijk om na ontslag weer aan een nieuwe baan te komen. Inmiddels is de helft van alle langdurig werklozen ouder van 55 jaar.

Als de kopstukken van de eurocrisis de abstracte ellende op obligatiemarkten of in het financiële systeem concreet willen maken, beginnen ze meestal over werkloosheid. Vooral jeugdwerkloosheid is een dankbaar onderwerp.

Onlangs gebeurde het weer tijdens de persconferentie van Mario Draghi, de president van de Europese Centrale Bank. Bent u bezorgd over werkloosheid in Europa, vroeg een jonge verslaggever van persbureau Reuters. „Natuurlijk”, antwoordde Draghi, met een bezorgd gezicht. „Jeugdwerkloosheid is een complete verspilling van middelen.”

Als vorm van stil protest droeg de vraagsteller een capuchontrui. Het was zijn manier om steun te betuigen aan de duizenden werkloze jongeren die op dat moment de straten en pleinen van Madrid en Athene protesteerden.

Soortgelijke taferelen voor oudere werklozen zijn er nauwelijks. Zelden zie je een stille blijk van solidariteit met oudere werklozen. Toch vormen zij in Nederland juist een probleem. Dat blijkt ook uit de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek van vanmorgen.

In oktober waren 536.000 mensen werkloos. Dat is 6,8 procent van de beroepsbevolking. Van die 536.000 mensen waren, 191.000, ofwel 36 procent, tussen de 45 en 65 jaar. Op de arbeidsmarkt zijn dit de ouderen.

De vorige keer dat de werkloosheid in Nederland piekte, was in 2005. Toen bedroeg het aantal mensen zonder baan van meer dan 12 uur per week (de ondergrens die het CBS hanteert) 6,5 procent, ofwel 482.000 mensen. Tijdens die werkloosheidsgolf zaten 139.000 45-plussers zonder baan. Dat was 28 procent van het totaal aantal werklozen.

Het probleem is voor uitkeringsinstantie UWV reden genoeg om november uit te roepen tot actiemaand voor oudere werkzoekenden. Op basis van eigen cijfers constateert het UWV dat het voor vijftigers bijzonder lastig is om na ontslag of vertrek aan een nieuwe baan te komen.

Dit jaar zijn er volgens het UWV 80.000 55-plussers met een werkloosheiduitkering. Dat zijn er 13.000 meer dan vorig jaar. Van de langdurig werklozen met een WW-uitkering is ruim veertig procent 55 jaar of ouder, aldus het UWV. Daarom spant het UWV zich deze maand in om oudere werklozen te koppelen aan werkgevers.

De Nederlandsche Bank (DNB) vindt het eveneens cruciaal dat oudere werknemers aan de slag blijven, niet alleen voor henzelf, maar ook voor de Nederlandse verzorgingsstaat. „Met de voortschrijdende vergrijzing krijgt Nederland te maken met personeelskraptes. Door de toegenomen levensverwachting en stijging van pensioenleeftijd zullen oudere werknemers langer moeten doorwerken”, aldus economen van DNB in een bulletin van afgelopen zomer.

DNB constateert wel dat er vooruitgang is geboekt. De „routes” voor vervroegd pensioen zijn afgebouwd en er zijn „doorwerksubsidies” geïntroduceerd. Als gevolg daarvan werkt 54 procent van de ouderen (55-65) nog. Tien jaar geleden was dit 34 procent.

Dat is winst, zegt DNB, maar het kan nog beter. „In Zweden is nog driekwart van deze leeftijdsgroep actief op de arbeidsmarkt. Daar is dus nog veel te winnen.” Ook DNB ziet dat het voor ouderen bijzonder ingewikkeld is om weer aan het arbeidsproces mee te doen, als ze eenmaal ongewenst thuis zijn beland. Zo is de kans dat een werkloze van tussen de 45 en 65 jaar binnen vier maanden een baan vindt, slechts 15 procent. Voor een werkloze van tussen de 25 en 45 jaar is die een stuk groter: 25 procent.

De OESO, de organisatie van 34 industrielanden, concludeerde eerder dit jaar dat oudere werknemers in Nederland veel verdienen vergeleken met leeftijdgenoten in andere landen. Een oudere mannelijke werknemer verdient in Nederland gemiddeld 160 procent van het loon van zijn collega die in de twintig is. Naar OESO-maatstaven is dat een groot verschil.

In Groot-Brittannië, de VS en Scandinavische landen is de loonontwikkeling minder verbonden met het aantal dienstjaren en meer met individuele prestaties. Daardoor zijn oudere werknemers in die landen niet vanzelfsprekend duurder dan jongere collega’s.

In de periode 2006-2009 was van alle werknemers in Nederland die net in dienst (minder dan een jaar) waren slechts 2,5 procent een oudere (50-64). Daarmee staat Nederland stijf onderaan het lijstje van onderzochte landen. Met 10 procent was Denemarken Europees koploper.

„Oudere werknemers in Nederland zijn relatief duur. Een werkgever zal zich afvragen waarom hij daar in wil investeren. Tenslotte weet je zeker dat ze minder lang bij je werken, aangezien ze dichter tegen hun pensioen aanzitten”, zegt Pieter Gautier, hoogleraar macro-economie aan de VU in Amsterdam en gespecialiseerd in de arbeidsmarkt.

Tegen deze achtergrond is verhoging van de pensioenleeftijd gunstig voor ouderen, verwacht Gautier. „Ze werken langer en het loont dus iets meer om in ze te investeren.”

Niet alleen de hoogte van het loon, maar ook de hoogte en de duur van uitkeringen werken belemmerend, concluderen economen van de OESO en DNB onafhankelijk van elkaar. „De ontslagbescherming van ouderen is relatief hoog”, schrijven de economen van DNB.

Uit de cijfers van de OESO blijkt hoe beschermd ouderen zijn. De gemiddelde oudere mannelijke werknemer werkte in de periode 2006-2009 bijna 25 jaar bij hetzelfde bedrijf. Van de onderzochte landen zaten alleen Belgische en Franse mannen langer op hun plek. In het VK zaten oudere mannen gemiddeld 15 jaar bij hun huidige werkgever.

Er kleeft een keerzijde aan een stevige ontslagbescherming en een hoge vertrekvergoeding, zegt DNB. „Deze stijgt met zowel het aantal dienstjaren, als met de leeftijd. Zodra ouderen hun baan verliezen, leidt deze systematiek van ontslagkosten tot een lagere kans op een volgende baan.”

Eenmaal zonder baan is er voor Nederlandse ouderen minder druk om weer aan de slag te gaan vergeleken met collega’s in het buitenland. Nederlanders die lang in loondienst zijn geweest, ontvingen bijna 38 maanden een WW-uitkering. Gautier: „Zo maak je ouderen kieskeurig. Een werkgever moet hun veel bieden, voordat ze bereid zijn een baan te accepteren.”

Veel OESO-landen zijn minder ruimhartig. In Denemarken geldt een duur van twee jaar, in Duitsland anderhalf jaar. Ook het nieuwe kabinet wil de WW-duur bekorten. Gautier: „Een kortere uitkeringsduur kan helpen. Het is echter wel een trade-off met het niveau van welvaart: meer mobiliteit op de arbeidsmarkt gaat ten koste van zekerheid.”