‘Ik had alles. En nu heb ik niets’

Zes gedetineerden in een jeugdgevangenis in Breda namen een cd op, die bol staat van de emotie. „Rap maakt me rustig als ik woedend ben.”

Vier van de gedetineerden in jeugdgevangenis Den Hey-Acker die raps maken als therapie. Ze willen niet herkenbaar op de foto. Foto Rien Zilvold

„Gooi die beat!” roept Skinny Boy (19) ongeduldig naar de geluidstechnicus in de pantry van jeugdgevangenis Den Hey-Acker in Breda. Net zat de breedgeschouderde donkere jongen nog nors weg gedoken onder een capuchon tegen de muur. Maar eenmaal op het kleine podiumpje, breekt de adrenaline door. Hij wil dat de geluidstechnicus opschiet en de muziek aanzet. Skinny Boy kijkt naar de gevangenen die naast het podium zitten. „Als ik eenmaal warm ben, wil ik gaan, ja toch.”

Skinny Boy is een van de zes gedetineerden in Den Hey-Acker die een rap heeft opgenomen voor de cd Mijn Verhaal, die een paar uur later zal worden gepresenteerd aan het personeel van de inrichting en ouders van de betrokken jongens. Zijn Kan Er Niet Meer Tegen is doortrokken van emotie. Skinny Boy rapt over de periode voordat hij vastzat, toen hij als thaibokser geld verdiende en samenwoonde met zijn vriendin en zoontje. Hij herhaalt met gepijnigde stem: „Ik wil niet meer leven, zoveel pijn.” Hij legt na afloop uit: „Ik had alles. En nu heb ik niets.”

JoJo (19) – zwart overhemd, donkere schoenen, veel gel in zijn haar – nam ook een nummer op. Hij rapt in Elke Dag Een Nieuwe Stap soepel dat hij vroeger „uit stelen ging” met zijn neef. „Het is pakken wat je kan.” Nu heeft hij „het gevoel dat ik ga zinken” in een cel „waar minuten uren duren”. Voor JoJo is rap altijd een uitlaatklep geweest, vertelt hij. Als peuter luisterde hij met zijn broer naar de in 1996 vermoorde rapper Tupac. JoJo: „Ik begreep niet wat hij zei maar voelde de emotie in zijn stem. Nu maakt rap me rustig als ik woedend ben of agressief, hoe ruig de beat ook is.”

De jongeren die aan het hiphopproject hebben meegedaan, zitten vast voor uiteenlopende zaken, van drugshandel en roof tot zware mishandeling. De delicten mogen in dit stuk niet aan hun artiestennamen gekoppeld worden. De jongens hebben een PIJ-maatregel opgelegd gekregen; in de volksmond ook ‘jeugd-TBS’ genoemd, een intensieve-begeleidingsmaatregel voor jongeren onder de 18 jaar die tot vijf jaar langer kan duren dan de maximale straf van 2 jaar in het jeugdstrafrecht.

De oudere Freeman (23) heeft al in veel gevangenissen gezeten, vertelt hij. In Maakt Niet Uit Waar Je Vandaan Komt rapt hij dat hij afgelopen zomer vrij zou komen. Maar zijn verblijf werd verlengd nadat hij te laat terugkwam van verlof. Freeman praat niet graag over „gevoelige dingen, dan schaam ik me”. Maar hij kan er wel over rappen. „Dan geef ik het een tintje swag (vrij vertaald: een stoere uitstraling).” Het is belangrijk voor hem, zegt Freeman. „Ik rap in plaats dat ik huil.”

Het hiphopproject in de jeugdinrichting, die na ontsnappingen en kritische inspectierapporten negatief in het nieuws kwam, is een initiatief van therapeuten Elly Konings en Frederik Esbach. In de studio van muziektherapeut Esbach staan ook een keyboard, conga’s en akoestische gitaren. Maar, zegt Esbach, „raptherapie is dusdanig populair dat daar tachtig procent van de tijd in gaat zitten.” Met name de ‘freestyle’ is voor hem als therapeut interessant, vertelt hij, waarbij jongens ter plekke teksten verzinnen op de hiphopinstrumentaties die hij van het internet haalt. Esbach: „Dan worden ze gestuurd door de beat en spreken ze vrij over wat ze aan het hart ligt.”

Voor de cd Mijn Verhaal heeft Esbach nummers geweigerd „die criminaliteit te veel verheerlijkten”. Het is een dunne grens, zegt de therapeut. Ook nu verwijzen de jonge gedetineerden soms vrij direct naar het misdaadcircuit („Vertel me waar de kluis staat”) maar in die gevallen is het ingebed in een verhaal waarin ook de emotionele keerzijde van het vastzitten centraal staat. Die emoties – spijt, vertwijfeling, uitzichtloosheid – voeren veelal de boventoon.

Tijdens de cd-presentatie vertelt de moeder van ToriMan (18), een stevige blanke jongen die in straattaal rapt over over matties (vrienden), snitches (verraders) en tori’s (in deze context: criminele activiteiten), dat haar zoon al rapt „sinds hij op zijn 13e voor het eerst vastzat. Soms schept hij maar wat op. Maar soms denk ik ook: ja, dat heeft hij meegemaakt... Dan heb ik het zelf al geblokt.”

Op het podium roept Freeman, met groot dollarteken op zijn riem: „Ze zeggen fok criminelen maar als je geen geld hebt, ga je toch stelen.” ToriMan rapt dat hij elk uur high is, in een „fokt op”-situatie zit en dat hij zich afvraagt „of ik het wel overleef” terwijl zijn gezin vertederd toekijkt. „Fok deze shit!” Zijn geëmotioneerde moeder omhelst hem direct na het optreden. „Super!”

Na afloop van het optreden delen de jongens lacherig handtekeningen uit. Skinny Boy vond het optreden zwaar, vertelt hij. „Ik was zenuwachtig, man.” Mensen verwachten stoere verhalen van hem, denkt hij. „Maar mijn kleine is buiten net twee geworden. Ik voel me niet stoer. Ik ben blij dat ik mijn emoties heb kunnen uiten. Maar dit is te persoonlijk, ik ga hier niet nog een keer mee optreden.”