Dichter, kip en kraai

Vergeet David Petraeus, Tanja Nijmeijer en Badr Hari en onthoud liever de namen Bert Kiewik, Ton van Bokhoven en F. Starik. De eerste twee zijn ambtenaren van de gemeentelijke dienst Rampen en Uitvaarten in Amsterdam. Zij zorgen voor u als u sterft en kind noch kraai zich om uw afscheid bekommert.

Starik is een dichter, die uit Groningen het idee importeerde om met een aantal collega’s bij toerbeurt een speciaal gedicht te schrijven en voor te dragen bij een zogeheten ‘eenzame uitvaart’. Dan worden er na afloop drie kopjes koffie geserveerd: twee voor de heren van de gemeente en een voor de dichter.

In de documentaire Poule des doods, die gisteren werd uitgezonden door Het uur van de wolf (NTR), wordt natuurlijk de vraag gesteld voor wie de ceremonie dan eigenlijk bedoeld is. Denk daar maar eens over na, het antwoord is minder eenvoudig dan je denkt.

De dode heeft er op dat moment niets meer aan, de uitvaartleider zit er evenmin op te wachten. Starik zegt: „Door niet te accepteren dat iemand helemaal alleen en onbeweend het graf ingaat, maak je de omgeving – ons allemaal – schuldig aan het feit dat deze mens alleen gestorven is, het maakt ons allemaal tot nabestaande.”

Zijn collega Menno Wigman merkt op dat die op basis van geringe kennis geschreven poëzie vaak iets existentieels krijgt. Het zijn serieuze gedichten, geen gelegenheidsrijmelarij.

Het is ook een ontroerend mooie documentaire, die geen identiteiten reconstrueert, maar in totalen, afstandelijk observeert. Regisseur Astrid Bussink, die eerder kunstzinnige films en documentaires over proefapen in Abchazië en de Enschedese vuurwerkramp maakte, benadrukt het universele karakter van het thema door op lege muren van het huis van de overledene 8mm home movies te projecteren. Die komen uit Bussinks verzameling en hebben niets met de persoon in kwestie te maken.

Je voelt je als kijker altijd een indringer, als je familiefilms van onbekenden ziet. Zo moeten Kiewik en Van Bokhoven zich voelen, als ze bij het opruimen van een inboedel zoeken naar giroafschriften, adresboekjes en relevante privécorrespondentie.

De eenzame uitvaart van een in het water gevonden jonge vrouw wordt van een gedicht voorzien door Maria Barnas. Later wordt haar identiteit toch bekend: ze heet Emine en wordt herbegraven bij moeder en zoontje in Turkije, Barnas voelt zich achteraf bezwaard en dicht: „Toen je een gezicht kreeg, wilde ik het mijne verbergen.”