De mooiste kamer van Amsterdam

Op 14 april 2013 heropent het Rijksmuseum. Vanaf nu elke 14de van de maand een reportage vanuit het museum in de aanloop naar de opening. Afl.1: De Beuning-kamer.

Het restaureren van een 18de-eeuws rococoplafond lijkt een beetje op het werk van een tandarts. Gespecialiseerde stukadoors schrapen met scalpels verflagen weg die door de jaren heen de ornamentiek van de met de hand geboetseerde kalkstuc hebben doen vervagen. De hele dag staan ze op een steiger bij kunstlicht omhoog te kijken, omhuld door stof van het stucwerk.

De Beuning-kamer, een kostbare mahoniehouten stijlkamer afkomstig uit een niet meer bestaand Amsterdams grachtenpand, is één van de nieuwe pronkstukken waarmee het Rijksmuseum volgend jaar uitpakt. Voor de restauratie, die 6 ton kost, werd vorig jaar op een gala-avond 2 ton ingezameld onder de patronen van het Rijksmuseum.

De kamer werd tussen 1745 en 1748 vervaardigd in opdracht van de rijke zakenman Matthijs Beuning (1707-1755), in het huis aan de Keizersgracht 187 dat hij van zijn moeder had geërfd en waarin hij met zijn echtgenote zijn intrek nam. De zaal in rococostijl, gelegen in het speciaal daarvoor aangelegde achterhuis, had drie ramen die uitzicht boden over de tuin. De kamer was groot voor een Amsterdams grachtenhuis, zo’n 8 bij 9 meter, en hoog: 4,8 meter. De kamer is uitgevoerd in Cubaans mahoniehout, dat in de 18de eeuw erg zeldzaam was.

Gasten betraden de zaal door twee openslaande, mahoniehouten deuren, versierd met kunstig snijwerk. „Als de mensen binnen waren, werden de deuren gesloten, zodat het effect maximaal was”, vertelt Paul van Duin, hoofd van de afdeling meubelen van het restauratieatelier. „Het bedienend personeel betrad de kamer via twee kleinere zijdeuren die lijken op te gaan in de houten lambrisering. De kamer bevat meer van dit soort architectonische foefjes; in de hoekzuilen naast de ramen zaten uittrekbare luiken verborgen.”

Over opdrachtgever Beuning en het gebruik van de zaal is weinig bekend. Hij en zijn vrouw waren leidende figuren in de gemeenschap van Hernhutters, een religieuze beweging met strenge regels en een sobere levensstijl. „De zaal werd vermoedelijk gebruikt voor samenkomsten van de Hernhutters”, zegt Reinier Baarsen, senior curator meubelen en verantwoordelijk voor de inrichting van de afdeling 18de eeuw in het nieuwe Rijksmuseum. „Dat gebruik van de zaal leiden we af uit de decoraties. Het schilderij van Jacob de Wit boven de schouw heeft een religieus onderwerp en sommige ornamenten hadden vast ook een symbolische betekenis.”

Beuning verkocht zijn huis in 1753. De nieuwe eigenaar liet wandschilderingen ontwerpen door Jurriaan Andriessen (1742-1819), maar daarvan zijn slechts twee vrouwenfiguren bewaard gebleven. „We hebben besloten die weer aan te brengen, omdat ze een belangrijk deel uitmaken van de geschiedenis, ook al hoorden ze niet bij het oorspronkelijke ontwerp van 1745”, zegt Baarsen.

Dat de stijlkamer bewaard is, mag een wonder heten. In 1896 moesten twintig grachtenpanden langs de Keizers- en Herengracht plaatsmaken voor de Raadhuisstraat als verbinding tussen de Dam en de Westermarkt. Het pas geopende Stedelijk Museum had interesse voor een aantal stijlkamers uit de panden, de Beuning-kamer was de belangrijkste.

De toenmalige conservator van het museum, J.E. Van Someren Brand, deed veel moeite de stijlkamer integraal te bewaren. Hij besloot tegen het advies van deskundigen in geen afgietsel te maken van het plafond, maar het stucwerk uit de kamer te laten halen. Dat kon alleen als het in stukken werd gezaagd.

De Beuning-kamer was te zien in het Stedelijk, totdat het museum zich in 1976 puur ging richten op moderne kunst. De wanden en het plafond van de kamer werden toen uit elkaar gehaald en in 65 kratten opgeborgen in het depot van het Amsterdam Museum. „In 2001 waren de belangrijkste delen voor het eerst te zien in het Rijksmuseum, op de Rococo-tentoonstelling”, vertelt Baarsen. „Het publiek reageerde enthousiast. Zo ontstond het idee deze stijlkamer een vaste plaats te geven in het nieuwe Rijksmuseum.”

In 2008 begon de restauratie. Het aan elkaar puzzelen van de 45 brokstukken plafond werd gedaan in het restauratieatelier. Het zwaarste deel mat 2,5 bij 2,5 meter en woog 450 kilo. „Het hout was nog in goede staat”, zegt Van Duin. „We hoefden de panelen alleen maar op te poetsen.”

„De bezoekers die straks door de kamer lopen, hebben geen weet van het monnikenwerk dat hier is verricht”, verzucht Baarsen. „Voor ons is het spannend hoe het publiek op de stijlkamer zal reageren. Dit is de enige plaats in het museum waar ze een historische ruimte in komen lopen. Gaan ze snel door, omdat er geen meubelen in staan, of genieten ze van de mooiste kamer van Amsterdam?”