De dood klopt bij de liefde aan de deur

Amour.Regie: Michael Haneke. Met: Jean-Louis Trintignant, Emmanuelle Riva, Isabelle Huppert. In: 34 bioscopen *****

Tot de laatste naam op de titelrol verschijnt blijft iedereen in zijn stoel zitten. Roerloos. Eerbiedig. Geen fluistering. Je durft zelf ook niet op te staan; het is zoiets als schreeuwen tijdens Dodenherdenking.

Afgelopen voorjaar won Michael Haneke in Cannes zijn tweede Gouden Palm op rij. Vooraf was het min of meer al vanzelfsprekend dat dit verhaal over aftakeling en vernedering van de ouderdom zou winnen. Waarom eigenlijk? Noblesse oblige? Omdat het Haneke is?

Ik zag Amour in een ‘gewone’ zaal, niet in een persvoorstelling. De stilte achteraf was leerzaam. In deze krant stelde Maxim Februari, die kennelijk eveneens twee uur lang ongemakkelijk in zijn stoel draaide, dat Amour deftige kitsch is. Spruitjes voor de ziel. Voer voor snobs. De Franse filmhit Intouchables, die rolstoelleed zo handig opleukt, zou eigenlijk origineler en daarom minder kitscherig zijn.

Alsof het ontbreekt aan films die ons troosten met de gedachte dat er hoop schuilt in ziekte en dood. Februari’s weerzin tegen de beproeving waaraan Haneke ons in Amour opnieuw onderwerpt, is best begrijpelijk. Maar is het kitsch?

In Amour klopt de dood aan de deur van het appartement van Georges en Anne, een hoogbejaard, verfijnd paar muziekdocenten in Parijs. Het begint met een black-out. Volgt een infarct. En een beroerte. Anne, die haar lot eerst met galgenhumor draagt, smelt als een zandkasteel in de vloed terwijl Georges om haar heen reddert. In bed plassen is geen drama, sust hij. Maar natuurlijk is het dat wel voor zo’n trotse dame. De dood werpt zijn schaduw vooruit in de vorm van schaamte. De wereld van Georges en Anne slinkt door verlies aan decorum tot hun appartement, en later tot hun slaapkamer.

Georges zorgt teder, vanzelfsprekend, fatalistisch en eenzaam voor Anne. Zijn paniek vindt een uitweg in onheilspellende nachtmerries: de klop op de deur, verval, water, de koude hand. De duif die het huis binnenvliegt: heraut van de dood. Jean-Louis Trintignant speelt Georges als man zonder tranen, hij acteert met zijn ogen, kromme rug en schuifelpassen. Emmanuelle Riva is vreselijk dapper als dementerende Anne.

Amour gaat over wat iedereen tegemoetziet die niet abrupt het toneel verlaat door een hartaanval of een auto-ongeluk. De grond die langzaam wegzakt, het verlies van controle en waardigheid. Dat je, als Georges, moet vaststellen dat „de zaken nu bergafwaarts gaan, en daarna is alles voorbij”.

Eenvoudige troost biedt Haneke niet. In de opening spiegelt Amour ons, het publiek, met de concertzaal waarin Anna en Georges op een voorstelling wachten. Dit is een memento mori, een katholiek ‘Gedenk te sterven’ zonder de troost van leven na de dood.

Hanekes barse blik op het menselijk tekort manifesteert zich in zijn anti-muze Isabelle Huppert die als dochter Eva huilt, klaagt en stampvoet zonder enige verantwoordelijkheid te nemen. In de verpleegster die Anna vrolijk en kordaat mishandelt. Maar zij doen er nauwelijks toe, zijn schimmen in de krimpende wereld van Georges en Anna. En toch gaat Amour over twee mensen en wat overblijft als al het andere wegvalt. Over liefde die sterker is dan de dood. Echt waar. Noem het kitsch, of Michael Hanekes meest romantische film tot dusver.