Zo zwaar bezuinigen is onzin

De komende vijf jaar moeten we nog eens 15 miljard euro extra bezuinigen, maar waarvoor? Zo goed is het niet voor welvaart en economie, schrijft Bert de Vries.

Rutte en Samsom hebben terecht bewondering geoogst. Beide positivo’s hebben een knap staaltje politiek vakmanschap afgeleverd. Het kabinet van VVD en PvdA past bij het tegenwoordige politieke en maatschappelijke klimaat in Nederland en Europa. Op macro-economische gronden zijn er daarentegen flinke vraagtekens te plaatsen bij dat klimaat en dus ook bij het regeerakkoord.

Voor de komende vijf jaar wordt bovenop de door Rutte I getroffen maatregelen en de voornemens van het Kunduzakkoord nog eens 15 miljard euro aan ombuigingen aangekondigd. Waarvoor doen we dit allemaal? Uit de doorrekening van het Centraal Planbureau blijkt dat dit forse pakket in 2017 resulteert in een daling van het begrotingstekort van 2,9 tot 1,4 procent van het bruto binnenlands product en een daling van de staatsschuld van 72,2 tot 70,6 procent. Hoe belangrijk is dit voor de gezondheid van de overheidsfinanciën en het vertrouwen van financiële markten?

Het idee dat we met staatsschuld het nageslacht met torenhoge lasten opzadelen, is demagogische onzin. We geven niet alleen de schulden, maar ook de vorderingen door aan het nageslacht. Bovendien kan die staatsschuld onder normale omstandigheden probleemloos worden geherfinancierd. Nederland is echt geen Griekenland en wordt dit ook niet met een wat hogere staatsschuld. Voor het vertrouwen van de financiële markten zijn veel meer factoren van belang, zoals overduidelijk blijkt uit de hoge schuldniveaus van Japan, de VS en het Verenigd Koninkrijk.

Economisch is het meest problematische aspect van staatsschuld dat er rente over betaald moet worden. Dat noodzaakt tot een herverdelingsoperatie. Er moet extra belasting worden geheven om de bezitters van de staatsobligaties hun rente te kunnen laten betalen.

Aan dat rondpompen van geld kunnen nadelige effecten verbonden zijn. Die zijn kleiner naarmate de rentelasten in verhouding tot het bbp lager zijn. In Nederland bedragen de rentelasten op de staatsschuld nog geen 2 procent van het bbp. Dertig jaar geleden was dit nog 5 tot 6 procent. Tegenwoordig kan de overheid langlopende staatsleningen afsluiten tegen historisch ongekend lage rentetarieven.

De daling van de staatsschuld van 1,6 procent die door het beleidspakket wordt gerealiseerd, correspondeert met een lagere schuld van ongeveer 10 miljard euro. Bij een rente van 3 procent voor een lening met een looptijd van bijvoorbeeld dertig jaar spaart dit jaarlijks 300 miljoen euro aan rentelasten. Dit lijkt veel, maar als percentage van het bbp spreken we over een stijging van 0,05 procent. De prijs die voor de hogere schuld betaald moet worden, is dus dat er de komende twintig jaar geen 2, maar 2,05 procent van het bbp rondgepompt moet worden.

De voordelen die hiertegenover staan, zijn dat het bbp de komende vijf jaar extra groeit met ruim 1 miljard euro per jaar en dat er bij de overheid 85.000 banen minder verloren gaan. Met dit bezuinigingspakket wordt er bewust voor gekozen om het welvaartsniveau in 2017 met 6 miljard euro te verlagen en 85.000 mensen werkloos te maken, omdat we bang zijn dat de minieme stijging van de rentelasten de economische groei in de jaren daarna te veel zal schaden.

Ook Brussel zou niet onverdeeld gelukkig moeten zijn met dit regeerakkoord. Alle binnenlandse bestedingscomponenten gaan erdoor omlaag. Dit heeft een nadelige invloed op de import en dus op de exportmogelijkheden van andere EU-landen naar Nederland. Het pakket draagt bovendien bij tot extra loonmatiging en een verdere versterking van de Nederlandse concurrentiepositie. Hierdoor stijgt de export. De onevenwichtige betalingsbalansverhoudingen in de eurozone worden dus versterkt. Het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans loopt op tot het ongekende niveau van 11,5 procent van het bbp. Terecht signaleert het CPB dat dit bijna het dubbele is van het maximum van 6 procent dat in de EU als acceptabel wordt beschouwd. Economisch leeft Nederland hierdoor ver beneden zijn stand.

Voor het herstel van evenwichtige betalingsbalansverhoudingen binnen de eurozone zou Brussel Nederland moeten aansporen tot het verhogen van de binnenlandse bestedingen. Maatregelen waardoor de overheid zelf de groei afremt en die het gevoel van onzekerheid bij de burger versterken, dragen daaraan niet bij.

Ongetwijfeld zal mij nu tegengeworpen worden dat ik met betrekking tot het begrotingstekort en de staatsschuld niet verder vooruitkijk dan de regeerperiode van het nieuwe kabinet. Deze tegenwerping is terecht, maar er valt te twisten over het gewicht dat eraan toegekend moet worden. Langetermijnprognoses zijn extreem gevoelig voor onvoorzienbare ontwikkelingen. Economen hebben geen sterke reputatie in het voorspellen hiervan. Vijf jaar vooruit kijken en dan de zaak netjes achterlaten is al een hele prestatie.

Het voorgaande betekent geen pleidooi om vijf jaar achterover te leunen. Op een aantal terreinen zijn hervormingen wenselijk om de systemen beter te laten werken. Zulke hervormingen moeten evenwel niet beoordeeld worden op basis van hun bijdrage aan de beperking van het begrotingstekort, maar op basis van hun bijdrage aan de groei en werkgelegenheid.

De conclusie uit het voorgaande is wat mij betreft dat de keizer van het regeerakkoord vanuit macro-economisch perspectief geen kleren aan heeft. De nieuwe Nederlandse regering moet zich in Europees verband inzetten voor een veel minder restrictief budgettair beleid. Dit zou ook goed aansluiten bij de recente koerswijziging van het IMF, waarbij landen met een sterke economie worden opgeroepen tot een meer expansief begrotingsbeleid.

Bert de Vries was minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet-Lubbers III.