Tegen liefde kun je niets beginnen

Stefan van Dierendonck viel van zijn geloof. De ex-priester schreef een boek. Dit is wat hij van het leven weet – tot nu toe.

Foto Mieke Meesen

Van zijn dunne darm was nauwelijks meer iets over, toen Stefan van Dierendonck (1972) ontdekte dat hij coeliakie heeft. De huisarts vertelde het hem. Reden van zijn kapotte darm: het eten van de hostie.

Stefan van Dierendonck werd op zijn 23ste tot priester gewijd, als jongste van Nederland. Zijn parochie werd de St. Jan Evangelist in het Brabantse Elshout. Van Dierendonck had het er moeilijk. Hij kwam in 1996 in opspraak omdat hij weigerde een stel te trouwen dat wilde afwijken van de katholieke rituelen.

Hij had veel last van vermoeidheid. En van diarree. Toen hij 28 was, kwam hij erachter dat hij een darmziekte heeft waarbij het lichaam intolerant is voor voedsel waar gluten in zitten. Hij zou moeten stoppen met het eten van de hostie, die gluten bevat. De katholieke leer schrijft anders voor: in het lichaam van Christus zat nu eenmaal tarwe. Van Dierendonck belandde in een onmogelijk dilemma: koos hij voor zijn priesterschap, of voor een gezond lichaam? Zijn ervaringen verwerkte hij in een roman: En het regende brood. Het verhaal draait om Clemens, een jonge priester met coeliakie die zijn geloof kwijtraakt. Het boek vertoont veel overeenkomsten met Van Dierendonck, die ook niet meer gelovig is. Hij werkt nu bij een callcenter. En woont samen met zijn vijftien jaar jongere vriendin, Suzanne.

■„Op het seminarie werden smerige spelletjes gespeeld. Ik zat in Den Bosch, een harde tijd. Sommige studenten gedroegen zich als Stazi’s. Ze gingen op zoek naar geheimen van andere studenten om door te vertellen aan de leiding. Iemand bleek een relatie te hebben met een vrouw uit het kerkkoor. Mocht natuurlijk niet. Hij werd verraden door zijn studiegenoten. De volgende dag was hij verdwenen uit het seminarie.”

■„Priesters masturberen veel. In een prikkelarme omgeving gaat je brein vanzelf wat verzinnen. Het minste of geringste kan al grote impact hebben. Masturberen mag niet van de kerk. Al die priesters komen ervoor biechten. ‘Ik heb gezondigd tegen het zesde gebod’, zeg je dan tegen de pater. Priesters voeren een permanent gevecht tegen hun menselijkheid.”

■„Mensen gebruiken de Bijbel om misbruik te rechtvaardigen. Ik heb een glimp gezien van hoe het misbruik er binnen de Katholieke Kerk uitzag. Iemand van het seminarie benaderde mij, toen ik alleen was op mijn kamer. Hij sprak de wens uit tot een kus en meer, en deed dat met behulp van symboliek uit de Bijbel: ‘de kus van Judas, hoe zou dat zijn?’ Het voelde bedreigend. Toen ik bij de leiding aangaf dat die persoon op een vervelende manier toenadering had gezocht, werd er niet ingegrepen. ‘Ja, dat hoort er een beetje bij’, zeiden ze.”

■„Je kunt jezelf niet te lang opzij zetten. Ik was als priester altijd met de parochie bezig, ultiem beschikbaar voor iedereen. Behalve voor mijzelf. Dat hou je niet vol. Van mijn eigen behoeften wist ik niets. Daarom kon die glutenallergie zo lang onontdekt blijven. Ik dacht: het zal er wel bijhoren. En schaamde me. Het was ook zo gênant. Dat je rent naar het toilet en hoopt dat je er op tijd bent. Pas toen ik 28 was, kwam ik erachter. De gluten hadden mijn darmen zo aangetast dat ik ondervoed raakte.”

■„God wil dat er tarwe in de hostie zit. Dat zei de kerkleiding tegen me toen ik vroeg om glutenvrije hosties. Het was onmogelijk. Als priester werd van mij verwacht dat ik de hostie bleef nemen. Wim Eijk, de huidige bisschop van Utrecht, zei ook dat hij er niets aan kon doen. Terwijl die man geneeskunde heeft gestudeerd! Hij wist heel goed dat het ongezond is. Op een zeker moment ging het voor mij niet meer samen. Ik volgde een streng glutenvrij dieet, en maakte toch iedere dag mijn darmen kapot met die hostie. Ik besloot het nog maar eens in de week te doen. Daarna eens in de maand. En toen kwam ik een vrouw tegen.”

■„Tegen liefde kun je niets beginnen. Het was in Rome. Ik volgde een studie en kreeg taalles van een Italiaanse. Ze was een paar jaar ouder. Naarmate we elkaar vaker zagen, ging ik steeds meer naar haar verlangen. Zij was alles waar ik ooit over had gefantaseerd. En ik was de priester over wie zij ook wel had gefantaseerd. Van de ene op de andere dag pakte ik mijn spullen en trok bij haar in. Ik, de man zonder behoeften, die nooit een vrouw had aangeraakt, koos voor een Italiaanse met een zuidelijk temperament. Een vrouw zonder grenzen, ook op seksueel vlak. Het was echt... heel passioneel. Ik dacht: nu ga ik alles doen wat nooit mocht.”

■„Een tuin is nooit zo mooi of er zit wel een slang in. Hoe aantrekkelijk mijn nieuwe leven ook leek, het werkte niet. De relatie ging uit. Buiten het klooster bleek ik nog precies dezelfde persoon te zijn. In de ene of de andere kamer, het maakt niks uit. Je neemt jezelf overal mee naartoe. Ik was net zo neurotisch en bedachtzaam als toen ik priester was, net zo voorzichtig en net zo bang.”

■„Na het priesterschap begint de strijd pas echt. Als priester had ik mezelf een gebed uit de oosterse orthodoxe kerk aangeleerd, waarbij je tijdens iedere ademhaling een gebed uitspreekt. Nadat ik stopte als priester, gingen de gebeden door. Bij iedere ademhaling kwam dat gebed in mijn hoofd. Er was geen ontkomen aan. Ik begon mijn eigen adem te wantrouwen. Zette de radio aan, om mijn adem niet te hoeven horen.”

■„Uiteindelijk is het de kunst om te ontdekken waar je voor staat. Het heeft me jaren van therapie gekost. Inmiddels weet ik beter wat ik wil. Als mens snap ik nu veel meer van het leven dan vroeger. Zie je dat terras daar? Die stenen heb ik zelf gelegd. Vroeger had dat nooit gekund. Ik heb nooit geweten hoe zwaar een steen is. In de pastorie wordt je verzorgd. Je krijgt kost en inwoning, een huishoudster. Je winkelt met een bankpas waar altijd geld op staat. Nu weet ik precies hoeveel ik verdien per uur. Ik weet wat het minimumloon is, en daaronder. Ik ben meer een mens geworden.”

■„Een ballon die je doorprikt, kun je niet meer opblazen. Zo is het ook met geloven: ik kan het niet meer. Ik zie mezelf niet meer terugkeren in de kerk. De betovering is doorbroken. Ik heb te veel gezien.”

■„De waarheid geeft rust. Ik hoef geen instituut meer te verdedigen dat eigenlijk niet te verdedigen valt. Ik zondig niet meer tegen de regels. Het gevecht is voorbij. Als ik nu nadenk over de waarheid, over hoe het leven in elkaar zit, hoef ik daar niet ingewikkeld over te doen. Ik heb geen dogma’s te verdedigen. Het is heel simpel: de waarheid is wat ik zelf heb meegemaakt.”