Snoep goed

In de trein hing zo’n doordringende zweetlucht dat mijn ogen en neus onmiddellijk eensgezind op zoek gingen naar de dader(s). Twee vrouwen aan de andere kant van het gangpad kwamen het meest in aanmerking. Ze waren afstotelijk dik en hingen apathisch in hun stoelen. Lui zweet stinkt meer dan sporterszweet, beweert de volksmond wel eens. Het moet wetenschappelijk bewijsbaar zijn, maar wie heeft er zin in?

De vrouwen konden moeder en dochter zijn, maar ook twee zussen of vriendinnen met een groot leeftijdsverschil. In ieder geval waren ze het stadium voorbij waarin het hun nog iets kon schelen wat de buitenwereld van hun vraatzucht dacht.

‘Moeder’ lurkte gulzig aan een gezinspak frisdrank, waarvan de inhoud rechtstreeks leek af te vloeien naar haar ballonvormige onderkin. Af en toe graaide ze samen met ‘dochter’ in de verzameling snoepgoed op het tafeltje tussen hen. ‘Dochter’ liet haar hoofd lusteloos op haar armen zakken zodra ze weer iets had uitgezocht.

Kauwen leek de enige beweging die ze zich nog toestonden.

Het was de dag van Sint-Maarten – voor mensen die veel van snoep houden een hoogtijdag, want dan mág het. De kinderen snoepen zich allemaal te barsten en jij doet af en toe mee, voor de gezelligheid. De eerlijkheid dwingt mij nu te zeggen dat wij, mijn vrouw en ik, ook op weg waren naar dit feest. In Utrecht zaten vier kleinkinderen met hun ouders op ons te wachten.

We hebben het gezelschap maar niet te veel lastiggevallen met die twee obesitasvrouwen in de trein. Je geeft een jong paar als bruidsgift ook niet een dvd met Ingmar Bergmans Scènes uit een huwelijk.

Toen we aankwamen, moest de snoeporgie nog beginnen, ook al namen enkele kleinkinderen een royaal voorschot met zakjes chips en stukjes Bounty. Bij het invallen van de schemering begon de kille tocht langs de huizen. Ik liep in de achterhoede mee, al wist ik toch nog op te vallen door het sint-maartenslied verkeerd in te zetten:

„Eén november is de dag…” De kinderen zongen er snel en hard overheen: „Elf november is de dag dat mijn lichtje/ dat mijn lichtje/ elf november is de dag/ dat mijn lichtje branden mag.”

Ik kon me niet herinneren dat ik op deze manier met mijn eigen kinderen langs de deuren was gegaan. Vermoedelijk had ik het toevallig net op die avonden steeds te druk gehad. Grootvaders lenen zich overal voor, als ze maar niet dood hoeven te gaan. Wel had ik vroeger, leunend tegen de deurpost, naar de liedjes van de kinderen geluisterd. Mijn vrouw was daar beter in, vooral in het veinzen van de aangename verrassing: „Wat léúk en wat zingen jullie móói…”

Dat hoort bij de formule van de tocht, na al die jaren is daar nog niets in veranderd. Alleen in de organisatie van deze tocht was een interessante vernieuwing toegepast. Tevoren waren briefjes verspreid die je als bewoner op de deur moest bevestigen indien je bereid was de kinderen iets te geven. Op die manier kon worden voorkomen dat in de deuropening een in de alcohol gedrenkte oude baas verscheen, die de kinderen chagrijnig toebeet: „Wat mot dat?”

Vooral ons jongste kleinkind, Jens, genoot. Hij stond zijn lampion al vroeg af aan zijn oma en ging op snoeproof, zonder ook maar één noot mee te zingen. ’s Nachts, hoorden wij later, heeft hij zijn bedje nogal ondergespuugd, maar dat lijkt me toch nog iets gezonder dan de rotzooi binnenhouden, zoals die vrouwen in de trein.

    • Frits Abrahams