Op tweewielersafari door Oeganda

Walter Wandera leidt bezoekers de hoofdstad van Oeganda rond op de boda boda, de taxibrommer. Langs de basiliek, de Gaddafi Moskee en de martelkamers.

Mark Schenkel

Een reis krijgt al snel een extra dimensie als je gebruikmaakt van een typisch lokale manier van vervoer. Bezienswaardigheden bezoeken met een transportmiddel dat zelf een bezienswaardigheid is, een onderdeel van de cultuur. Op de riksja door de kampongs van Jakarta of met de gondel over de kanalen van Venetië. Op een kameel naar de piramides van Gizeh of met de Trabant langs de Brandenburger Tor in Berlijn.

Of, natuurlijk, achterop de brommer door de hoofdstad van Oeganda.

Walter Wandera leidt bezoekers in Kampala rond op de boda boda, de taxibrommer die net zo Oegandees is als de Nijl en de zilverruggorilla. Boda boda is een verbastering van border border, een verwijzing naar het ontstaan van de eenpersoonstaxi een halve eeuw geleden langs de grens met het eveneens Engels sprekende Kenia. De boda was toen nog een fiets. Boda’s zijn snel, wendbaar en goedkoop. En overal. Als zwermen boze bijen zoeven en zoemen ze over de wegen van Kampala, links en rechts toeterend en passerend. Wie Kampala zegt, zegt boda boda.

„Toen ik nog werkte als gewone boda-chauffeur, had ik onder mijn vaste klanten buitenlanders die ik af en toe bijzondere plekken in Kampala liet zien”, vertelt Wandera (25). „Het viel me op hoe leuk ze dat vonden. Twee jaar geleden besloot ik er mijn werk van te maken.” Tegenwoordig is ‘Walter’s Boda Boda Tours’ een vlot lopend bedrijfje met tien chauffeurs en een maandomzet van 3 tot 4 miljoen Oegandese shilling (3.000 tot 4.000 euro).

Oeganda blijft geschikt voor een typische Afrika-trip in een off-road-wagen door wildparken of voor wildwaterraften op de Nijl – reisgids Lonely Planet bestempelt Oeganda zelfs als beste reisbestemming van 2012. Maar wie wat wil oppikken van een Afrikaanse miljoenenstad en haar geschiedenis, springt achterop bij Walter.

Walters tweewielersafari voert langs historische plekken en natuurlijke vergezichten. Een rit duurt, afhankelijk van de route, 4 tot 5 uur en kost zo’n 60.000 Oegandese shilling (20 euro). Onderweg wordt ook gestopt voor een traditionele maaltijd van bijvoorbeeld rundvlees met matooke (kookbanaan). Walter verzorgt behalve een veiligheidshelm ook deskundig commentaar. Vandaag doen we met Walter drie historische highlights van Kampala aan.

‘De Arabieren introduceerden in de negentiende eeuw slechte gewoontes in onze regio”, vernemen we van de gids die ons rondleidt bij de eerste stop, Emmanuel. „Tabak en homoseksualiteit. Dat bestond hier nog niet.”

We zijn zojuist aangekomen bij de Basiliek van Namugongo, een van de belangrijkste katholieke bedevaartsoorden in Oost- en Centraal-Afrika. Ieder jaar op 3 juni vereren tienduizenden pelgrims hier de tweeëntwintig katholieke bekeerlingen die op 3 juni 1886 levend werden verbrand door de leider van het koninkrijk Buganda, dat het historische hart vormt van Oeganda. De koning vreesde dat het door Franse missionarissen geïntroduceerde katholicisme het eeuwenoude geloof in Buganda’s eigen god zou aantasten. De geëxecuteerden werden in 1964 heilig verklaard door Paus Paulus VI.

Een tweede reden waarom de koning de bekeerlingen liet verbranden, is dat zij onder invloed van hun nieuwe godsdienstige overtuiging weigerden om nog langer met hem te slapen. De bekeerlingen waren dienaren aan het hof van de koning die – zo hebben historici vastgesteld – homoseksueel was. Of die, zoals gids Emmanuel meent, homoseksueel was geworden onder invloed van Arabische handelaren.

„Echt?”, reageert Walter. „Ik dacht altijd dat homoseksualiteit iets moderns was uit het Westen”, waarmee hij een in Oeganda breder gedeelde opvatting verwoordt. „Niet dat ik verder iets tegen homo’s heb. Ik ben er ook niet speciaal voor. Ik zeg: laat mensen voor zichzelf beslissen zolang ze het een beetje voor zichzelf houden”, waarmee Walter een tweede breed gedeeld sentiment vertolkt.

We laten de discussie over homoseksualiteit in Afrika voor wat ze is en bewonderen de Basiliek, een mahoniehouten constructie in de vorm van een traditionele hut uit Buganda. De constructie wordt bijeengehouden door tweeëntwintig koperen pilaren, symbool voor de martelaren. Houtgravures en glas-in-loodportretten verbeelden de doden. Binnen, op de precieze plek van de brandstapel van 1886, staat nu een altaar.

Na afloop van de rondleiding drukt Walter Emmanuel een flyer in handen met informatie over de boda boda-tours. „Misschien kunnen we samenwerken”, zegt Walter. Emmanuel is enthousiast: „Dit is de eerste keer dat ik dit zie, een brommertour door Kampala.”

We springen weer op de boda en rijden over uitbundig groene heuvels naar de op één na grootste moskee op het Afrikaanse continent. De Gaddafi Moskee, aan de Gaddafi Weg, biedt volgens een medewerker plek aan 35.000 mensen. Sommige berichten houden het op 15.000. Hoe dan ook: alleen de Hassan II Moskee in Marokko heet groter te zijn.

De moskee was een cadeautje van Moammar Gaddafi, de vorig jaar gedode Libische leider die met behulp van zijn oliemiljarden zijn invloed verspreidde tot diep in Afrika bezuiden de Sahara. Oeganda herbergt hotels, tankstations, banken en woningbouwprojecten met de signatuur van Gaddafi. Het initiatief voor de moskee werd in de jaren zeventig genomen door de Oegandese militaire dictator Idi Amin, die moslim was, zich tegen Israël keerde en in Gaddafi een goede ‘vriend’ (en sponsor) vond. Na Amins val in 1979 kwam het project stil te liggen, maar tien jaar geleden sprong Gaddafi financieel bij. Een bord bij de ingang van het in 2008 geopende gebedshuis herinnert aan de glorierol van de ‘leider van het wereldmoslimleiderschap’.

De ruim 50 meter hoge minaret, bovenop een van de historische ‘zeven heuvels van Kampala’, biedt bezoekers een imponerend uitzicht van 360 graden. Walter verschaft uitleg over relevante locaties ver beneden ons – schreeuwend bijna, om uit te komen boven de oproep tot gebed door de muezzin die uit de luidsprekers pal boven onze hoofden schalt.

Weer op de grond vertelt een medewerker over de benarde positie van de moskee sinds de politieke omwenteling in Libië. Het nieuwe bewind in Tripoli weigert nog geld uit te trekken voor de ‘hobbyprojecten’ van Gaddafi. „Veertig van onze tachtig personeelsleden zijn al ontslagen. Er werd zelfs geëist dat we onze naam zouden veranderen.” De Gaddafi Moskee probeert nu financieel overeind te blijven middels collectes onder Oegandese moslims.

Als laatste doen we de martelkamers van Idi Amin aan, niet ver van Gaddafi’s Moskee. Vijf donkere, betonnen ruimtes in een heuvel naast een van de paleizen van de koning van Buganda. Hier werden duizenden Oegandezen opgesloten, uitgehongerd en geëlektrocuteerd nadat legerleider Amin in 1966 het paleis had bestormd en de koning verjoeg. Onder het schijnsel van Walters zaklantaarn lezen we op de wanden wanhopige smeekbedes van gevangenen.

Buiten bekijken we een blauw-wit kanon waarmee Amin het paleis aanviel. Het kanon fungeert vandaag als instrument voor een jonge paleisbeheerder die hoopt indruk te maken op de vier uitwisselingsstudentes die intussen bij onze rondleiding zijn aangehaakt. „Jullie gaan één voor één op het kanon zitten”, gebiedt hij, nadat hij de vrouwen eerder al omstandig en met veel explicatie heeft uitgelegd hoe speren, schilden en rituele mannenbesnijdenis in Oeganda samengaan. „Wanneer ik erin slaag het kanon met jullie erop op te tillen, zijn jullie van mij.” De studentes nemen de uitdaging lacherig aan. Als de paleismedewerker de blonde, blauw-ogige Noorse studente met Amins kanon en al de lucht in heeft gehesen, wordt zijn enthousiasme hem bijna te veel. Walter, haastig: „Zo, het is al laat zeg! We moeten ervandoor!”

Na afloop van onze boda boda-tour droomt Walter hardop van een toekomst waarin hij zich volledig op zijn taak als manager van zijn bedrijfje kan richten. Het rijden wil hij aan zijn medewerkers overlaten. Niet dat hij het rijden niet leuk vindt: „Ik ontmoet via dit werk mensen uit veel verschillende landen. Het is haast alsof ik zelf ook reis.”