Oh fuck, ik denk dat we beroofd worden

Thai politician Chuwit Kamolvisit holds a gun at his home in Bangkok in this October 16, 2012 file photo. A tourist haven and regional base for multinational companies, Thailand has the highest number of guns in civilian hands in Southeast Asia -- almost four times more than the Philippines, a country notorious for violent gun crime. Picture taken October 16, 2012. To match Feature THAILAND-GUNS/ REUTERS/Sukree Sukplang (THAILAND - Tags: POLITICS SOCIETY) REUTERS

Het is een goede dag voor een wandeling. Zonnig, met een koel briesje en helder – het uitzicht bovenop de berg zal fantastisch zijn. Ik kijk al weken naar die berg, de Mandango, de hoogste piek rond het dal van Vilcabamba, een piepklein dorp in het zuiden van Ecuador. Voor de Quichuas, de inheemse bewoners van deze regio, is de berg heilig: hij lijkt op een slapende Incakoning. Ik werk nu een paar weken in dit dorp en ga vandaag de berg beklimmen met een Duitse en een Oostenrijkse backpacker.

De tocht naar boven is niet makkelijk en duurt zeker vier uur, zeggen de dorpelingen. Maar we zijn fit en zijn licht bepakt. En pas op voor overvallers, zeggen de dorpelingen. Maar de laatste overval was twee jaar geleden en we zijn niet bang.

De klim omhoog is zwaarder dan gedacht, inderdaad doen we er een uur of vier over. Zwetend ploffen we neer op de top. Het groene uitzicht, de verstilling, is prachtig. De Oostenrijker neemt een panoramafoto. Wanneer hij zijn camera van het dal wegdraait, fronst hij. „Hé, er zijn andere mensen hier.” En dan: „Oh fuck, ik denk dat we beroofd worden.” Met een snelle beweging gooit hij zijn camera van de berg, in de hoop die later in de struiken terug te vinden.

Ik draai me om. Er komen drie jongens aanlopen, twee met een bivakmuts, een met een sjaal voor zijn gezicht. Er is maar één pad naar de top – we kunnen nergens heen. Ik zie de wapens in hun handen: een groot jachtgeweer, een pistool, een machete. We gooien onze rugzakken een paar meter in hun richting het pad op. Hier, neem maar, toma. Maar ze stappen over de tassen heen. Op de grond, op de grond, ga liggen! We gaan liggen, hoofd in het stof. De paniek slaat pas toe als ik de loop van het geweer tegen mijn hoofd voel.

Donde esta la camera? Donde?! Waar is de camera?! Ze hebben ons van een afstand natuurlijk al foto’s zien maken. Een van de overvallers klimt langs de bergwand naar beneden om de camera te zoeken. De anderen doorzoeken de tassen. Daar zit niets van waarde in, tot hun frustratie. Donde esta el dinero? Waar is het geld? We hebben geen geld bij ons. Dat geloven ze niet. Misschien heb ik het in mijn bh? Misschien in mijn onderbroek? Ik begin te huilen. Zand wordt modder en kleeft aan mijn wangen. Mijn spieren beginnen onophoudelijk te trillen. Ze vinden nergens geld, wel mijn oorbellen, mijn riem en een goedkoop horloge.

De derde overvaller roept vanaf de berghelling: hij heeft de camera gevonden. De drie raken in feeststemming. In onze tassen vinden ze sigaretten. Ze hebben zelf bier meegenomen en beginnen grappen te maken, rokend en drinkend, terwijl ze ons onder schot houden. Zeg eens, hoe is het om in een vliegtuig te zitten? Vertel eens een mop! Ik kan alleen maar ongecontroleerd rillen.

Dan vindt een van de drie condones in een zijvakje – condooms. Ze grappen erover. Wat als… De paniek is nu totaal. Ik hou al maanden tegenover vrienden en familie vol dat alleen reizen in Zuid-Amerika prima kan als vrouw. Schrijf telkens op mijn blog hoe veilig ik me voel. Maar nu voel ik waar hun bezorgdheid om draait: als vrouw ben je zo veel kwetsbaarder op reis. Zelfs als er twee jongens zijn om je te beschermen – als er een geweer in het spel is, ben je machteloos.

De lucht begint te betrekken. Ik hyperventileer. Tijd verstrijkt, de overvallers genieten van hun machtspositie, ze dollen met ons. Maar het regent nu, en het begint donker te worden. We mogen gaan. Een voor een, eerst de Oostenrijker, dan ik, dan de Duitser. Mijn spieren willen niet meewerken, ik ren het pad op, struikelend.

Dan klinken er geweerschoten achter me. Ik gooi me krijsend tegen de grond, denk dat de Duitse backpacker achter me is neergeschoten. Dan staat hij opeens over me heen gebukt, ook schreeuwend – ben je gewond? Nee jij? Nee jij? We krabbelen overeind en rennen en rennen tot we achter de volgende bergflank uit zicht zijn.

De wandelkaart is ook gestolen. Het enige houvast voor onze terugtocht is het hoogteverschil: we moeten naar beneden. De zon verdwijnt langzaam achter het silhouet van de Incakoning.