Mali’s blues zwijgt. Extremisten zijn oorlog gestart tegen ‘muziek van Satan’

epa00768939 Members of Tuareg band Tinariwen from Mali perform on the Stravinski stage, during the 40th Montreux Jazz Festival, in Montreux, Switzerland, Monday 10 July 2006. The festival will last until July 15. EPA/LAURENT GILLIERON Leden van de Toearegband Tinariwen uit Mali tijdens de veertigste editie van het Montreux Jazz Festival. Foto ANP / Laurent Gillieron

Het in Noord-Mali gevoerde schrikbewind is een doodsteek voor de prachtige muziek die in het gebied gefabriceerd wordt, schrijft NRC-medewerker Leendert van der Valk vandaag in nrc.next. Hij sprak enkele Malinese muzikanten, die in Nederland optraden. Zij lichten toe hoe het er in het gebied aan toe gaat.

In het door Ansar ud-Din, een aan Al-Qaeda gelieerde groep, beheerste Noord-Mali is momenteel een humanitaire crisis gaande. Ongeveer een half miljoen mensen sloeg op de vlucht voor de harde hand waarmee het inmiddels streng islamitische gebied geregeerd wordt.

‘We willen de muziek van de Satan niet’

Het begon allemaal driekwart jaar geleden in maart, schrijft Van der Valk. Toen pleegden soldaten een coup, uit onvrede over de manier waarop het leger de Toeareg-opstand in het Noorden aanpakte. De Toeareg strijden al veel langer voor een eigen woestijnstaat. De coup speelde de Toeareg in de hand, maar in de ontstane chaos zagen moslimextremisten de kans om de macht in het Noorden over te nemen. Het werelderfgoed van Timboektoe wordt door hen vernield en de stem van de woestijn wordt ontnomen. Want, zo stellen de moslimextremisten:

“We willen de muziek van de Satan niet. Koranverzen moeten die plek innemen. De sharia, de strenge islamitische wetgeving, vereist dat.”

En daarmee dreigt er ook een culturele crisis, schrijft Van der Valk. Muzikanten, die lange tijd fungeerden als de stem van het volk, wordt nu het zwijgen opgelegd. Of ze vluchten wegens doodsbedreigingen aan hun adres naar het buitenland. Van der Valk:

“Mali is een van de armste landen van Afrika, maar het heeft misschien wel de rijkste muziektraditie van het continent. Zogeheten griotten, lofzangers, gelden al sinds de Middeleeuwen als de verhalenvertellers van de Sahel. Hun liedjes zijn als geschiedenisboeken, onmisbaar in een grotendeels analfabete samenleving.”

‘Muziek is onze ziel’

De drie muzikanten die Van der Valk sprak, noemen het gevoerde bewind een aanval op de ziel van het land. “Muziek is het enige wat we hebben in Mali. Het is onze ziel”, zegt zangeres Fatoumata Diawara. De Malinese is een rijzende ster in haar land en boekte wereldwijd succes met haar album Fatou. Het lot van haar Noord-Malinese collega’s gaat haar zeer aan het hart. “Ze willen dat we de hele dag God toezingen, maar we hebben betere dingen te doen”, aldus de inmiddels in Frankrijk woonachtige Diawara.

Met een religieuze instelling is niets mis, maar het beleid dat de extremisten momenteel handhaven is volgens haar “middeleeuws”. Van familie in het Noorden hoort ze verhalen over kapotgeslagen instrumenten en studio’s, en dat vrouwen over straat moeten in een boerka.

Luister naar het album Fatou van Fatoumata Diawara op Spotify

‘We glijden snel af’

Habib Koité is een geboren zanger. Als afstammeling van de belangrijkste griot, lofzanger van het middeleeuwse Mande-keizerrijk, was zijn muzikale lot eigenlijk al als embryo beklonken. Als griot wil hij onderhandelen met de strijders in het Noorden, schrijft Van der Valk, maar gemakkelijk gaat dat niet. Koité:

“Omdat ik uit een griot-familie kom, heb ik het voorrecht dat mensen naar mij luisteren. Als er ruzie of oorlog is, is de griot een onderhandelaar en die rol zou ik graag in deze crisis vervullen. Maar die extremisten lossen het liever met wapens op. Dus zing ik liedjes voor de mensen, over hun angsten en onze cultuur.”

Vroeger beschikte Mali over een redelijke infrastructuur, zegt Koité. “Maar nu glijden we snel af.” Toch verliest hij geen hoop. Van vrienden uit het Noorden hoort hij positieve klanken. Koité:

“Jongeren beginnen zich te verzetten tegen de extremisten. Het is gevaarlijk maar ik heb gehoord dat er demonstraties zijn geweest die niet eindigden in geweld.”

‘Als de vijand geweld gebruikt, zijn wij genoodzaakt dat ook te doen’

De leden van de Toearagband Tinariwen houden er een net iets andere instelling op na. Aanvankelijk waren ze namelijk blij gestemd toen leden van de Toearag-groepering een coup pleegden. Bassist Eyadou Ag Leche zegt hierover:

“Als de vijand geweld gebruikt, zijn wij genoodzaakt ook geweld te gebruiken. De laatste jaren hebben we een politiek spel gespeeld, maar we kregen niet wat we wilden. De coup leek dat te veranderen.”

Maar van het bevrijdende gevoel dat de coup aanvankelijk met zich meebracht, is niet veel meer over. Volgens Eyadou zijn de Toeareg nu opnieuw slachtoffer:

“Onze basis ligt in de woestijn van Noord-Mali, maar we voelen ons geen Malinezen. We hebben niets tegen de mensen in Zuid-Mali, onze vijand is het leger. Wij hebben ook geen interesse in de sharia, die hoort niet thuis in onze samenleving. (…) Vlak na de coup waren het de extremisten die onze mensen vermoorden en met geweld onderdrukten.”

Eyadou’s band werd opgericht in een militair trainingskamp van de voormalige Libische leider Moammar Gaddafi. Inmiddels neemt hij afstand van het militaire verleden van Tinariwen. De geweren zijn definitief verruild voor gitaren, zeggen de bandleden. Eyadou:

“Als muzikanten worden we gezien als de stem van de Toeareg. We zingen over de zorgen van ons volk, het verlangen naar een eigen Azawad, een eigen woestijnstaat.”

Luister naar het album Tassili van de band Tinariwen op Spotify
    • Jeannine Julen