‘Kon ik internaat maar verbieden’

Het Rotterdamse bestuur wist alles over een illegaal moskee-internaat. Toch krijgt de deelgemeente de schuld, zegt oud-voorzitter Oudshoorn.

Islamitische jongeren tafeltennissen in hun internaat boven een Rotterdamse moskee. Het gaat niet om de Fatih-moskee. Foto Robin Utrecht

Dagmar Oudshoorn (PvdA) was van 2006 tot 2010 de voorzitter van deelgemeente Feijenoord. Ze wist vanaf 2008 dat in haar deelgemeente een illegaal en brandonveilig internaat zat, op de zolder van de Fatih-moskee. Ze wist dat er tientallen meisjes verbleven. En ja, ook toen waren er al geruchten over lijfstraffen in moskee-internaten. Maar, zegt Oudshoorn, iederéén wist ervan. De wethouders, de GGD, het ministerie van Volksgezondheid. Het stoort haar dat wethouder Hamit Karakus (Ruimtelijke ordening, PvdA) nu zegt dat hij tot de zomer van 2011 van niets wist.

Hoe wist u dat er iets aan de hand was?

„We kregen signalen over kinderen die met z’n allen in een te kleine ruimte moesten wonen onder een zeer streng regime. Zonder ruimte voor zichzelf, met bijzonder weinig vrijheden. Bovendien was bekend dat de Fatih-moskee een bijzonder orthodoxe stroming binnen de islam vertegenwoordigt. De geruchten over lijfstraffen in moskee-internaten gingen toen ook al.

„Ik vond het een ongezonde situatie voor kinderen om in op te groeien. Daarom heb ik het toentertijd aangekaart. Ik maakte mij er niet alleen bestuurlijk druk om. Ook vanuit mijn achtergrond als orthopedagoog vond ik dat ik moest handelen. Daarnaast bleek het er ook brandonveilig te zijn, daar hebben we de moskee op gewezen.”

Had u een brandonveilig internaat niet direct moeten sluiten?

„De interventieteams hebben het moskeebestuur maatregelen opgelegd om het brandveilig te maken. De moskee voldeed daaraan, bleek bij controles. Je kunt niet handhaven als de moskee doet wat je zegt.”

In 2011 is het internaat „absoluut onveilig”, blijkt uit documenten.

„Ik heb het internaat zover ik weet brandveilig achtergelaten.”

Maar illegaal. De moskee heeft nooit een vergunning gehad om er meisjes te laten slapen.

„Als iets niet voldoet aan het bestemmingsplan, moet je eerst kijken of je de situatie legaal kan maken. Er ontstond een gedoogconstructie. Het bleef zonder vergunning bestaan, maar ik kon het niet verbieden. Was het maar waar.”

Wanneer speelde dit?

„Dit speelde rond 2008.”

Wat deed u verder?

„Ik kon verder niet veel doen. De moskee liet me de kinderen niet zien als ik langskwam. Ik heb er meerdere malen interventieteams op afgestuurd. Ook zij kregen de kinderen niet te zien. Toen heb ik er met de toenmalige zorgwethouder Jantine Kriens over gesproken. Ik heb ook de GGD en het ministerie van Volksgezondheid om hulp gevraagd. Ik zei: ‘Ik heb signalen dat er iets mis is, wat kan ik doen?’ Ik kreeg als antwoord dat er nu eenmaal geen regels voor zijn, omdat deze internaten niet onder de zorgwet vallen. Er was geen toezicht mogelijk. Ik was er best gefrustreerd over, maar je moet je wel aan de regels houden”

Wist wethouder Karakus ervan?

„Jazeker. We hebben vaak met hem over die moskee gesproken, omdat de moskee een nieuw gebouw wilde, waar ook een nieuw internaat in zou komen. In die gesprekken is vaak aan de orde geweest dat in de moskee een internaat zat. Karakus wist ervan.”

„Ik vind het jammer dat de gemeente de schuldvraag probeert te verschuiven naar de deelgemeente. Iedereen wist ervan. Het is geen eerlijk verhaal dat de gemeente nu vertelt. Daar ben ik teleurgesteld in. Het dieperliggende probleem is dat er op dit moment geen mogelijkheden bestaan om internaten aan te pakken.”