Kafka in Osdorp

Uitgeprocedeerde asielzoekers belanden steeds vaker in een beleidsmatig vacuüm, betoogt Thomas Spijkerboer. Ze kunnen niet terug, maar mogen ook niet blijven.

Burgemeester Van der Laan van Amsterdam heeft aangekondigd dat hij het tentenkamp van asielzoekers in Osdorp wil gaan ontruimen. Hij heeft geen termijn genoemd en wil zo veel mogelijk overleg met de activisten, de staatssecretaris en andere betrokkenen.

Sympathisanten van de asielzoekers hebben het idee geopperd om een leegstaand gebouw te gebruiken als actiecentrum en als voorlopige huisvesting. De asielzoekers hebben aarzelend op dat idee gereageerd. Zij zien hun protest niet als een humanitaire actie die is gericht op onderdak voor henzelf. Het tentenkamp is wat hen betreft een politiek protest tegen het Nederlandse asielbeleid: geen asiel voor mensen uit gevaarlijke landen als Somalië, een asielprocedure die zo formalistisch is dat de uitkomsten ervan niet betrouwbaar zijn, geen verblijf voor mensen die niet uitzetbaar en dus feitelijk staatloos zijn, langdurige detentie. Onderdak in een gebouw zien zij als een doekje voor het bloeden.

Waarom gaan uitgeprocedeerde asielzoekers ineens allemaal in tenten zitten? Het Tahrirplein bood het model. De tenten worden als middel ingezet door de steeds grotere groep mensen die in een wanhopige positie is gebracht: niet uitzetbaar, maar toch geen verblijf of opvang.

Er zijn momenteel twee grote groepen asielzoekers die niet uitgezet kunnen worden. Somaliërs niet omdat de situatie – ook volgens de Raad van State – in Somalië te gevaarlijk is. Irakezen niet omdat de Irakese regering, naast de vluchtelingen die terugkeren uit Jordanië en Syrië, niet ook nog eens de Irakese vluchtelingen uit Europa aan kan. Tot een jaar of tien geleden was dit een reden geweest om Somaliërs en Irakezen (tijdelijk) asiel te geven. Dat ligt ook ten grondslag aan de Vreemdelingenwet 2000: als je mensen niet toelaat, zet je ze uit. Logischerwijze laat je mensen dan ook toe als je ze niet kunt uitzetten. Die grondslag is verlaten. Daardoor bevinden veel Somaliërs en Irakezen zich in een door het Nederlandse beleid geschapen vacuüm.

Andere mensen zijn op individuele gronden niet uitzetbaar. Sommigen hebben daar zelf de hand in gehad omdat zij hun identiteit zoek hebben gemaakt (‘identity stripping’). Anderen zijn klem geraakt in de bureaucratieën van hun land van herkomst en kunnen er niets aan doen. Het Nederlandse vreemdelingenrecht biedt de mogelijkheid om verblijf te geven aan mensen die buiten hun schuld niet naar hun land van herkomst kunnen. Maar omdat de identity strippers en de mensen die er echt niets aan kunnen doen moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, wordt die zogenoemde ‘buiten schuld-vergunning’ gemakshalve vrijwel nooit verleend. Ik begrijp het probleem wel, maar dit is geen oplossing.

Verder is de Nederlandse asielprocedure zo formalistisch geworden dat er mensen uitgeprocedeerd raken die asiel horen te krijgen. Ik stuitte op een dossier van een homoseksuele man uit Addis Abeba waarvan onduidelijk was of hij, als kind uit een gemengd huwelijk, de Ethiopische of de Eritrese nationaliteit had. Zijn asielverzoek werd afgewezen, want: we weten niet wat uw nationaliteit is, dus kunnen we uw asielverzoek niet beoordelen en wijzen we het af. De rechtbank en de Raad van State vonden dat goed. De advocaat was een doorbijter en diende een klacht in bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Pas na die klacht keek voor het eerst een Nederlandse ambtenaar inhoudelijk naar de asielaanvraag – en verleende ogenblikkelijk de vluchtelingenstatus. Ik begrijp dat dit in de praktijk vaker voorkomt. En ik weet zeker dat de Nederlandse asielprocedure dit zonder meer mogelijk maakt.

Kortom: de groep mensen die tot illegaal wordt verklaard is door een aantal beleidskeuzes groter geworden. Mensen die niet uitgezet mogen of kunnen worden krijgen geen (tijdelijk) verblijf meer. Mensen die buiten hun schuld niet terug kunnen maar er niet in slagen dat volgens zeer strikte regels aan te tonen, krijgen geen vergunning omdat de goeden maar onder de slechten moeten leiden. En de asielprocedure kan tot een Kafkaësk doolhof leiden.

Dat is de ene helft van het verhaal. De andere helft van het verhaal is dat de noodopvang voor deze mensen in het kielzog van het generaal pardon van 2007 is afgebouwd. Het rijk eiste van gemeenten in ruil voor het generaal pardon beëindiging van die noodopvang, en beloofde een sluitend uitzettingsbeleid. Dat is er nooit geweest en kwam er ook nu natuurlijk niet. Sterker nog: het aantal niet-uitzetbaren werd zoals betoogd juist groter. Het rijk is zijn deel van de afspraak niet nagekomen.

De activisten in de tentenkampen hebben grote eisen, en wat mij betreft hebben ze een punt. Maar niets verhindert Nederlandse polderpolitici om het probleem dat zij zichtbaar maken kleiner en beheersbaarder te maken. Landelijke politici kunnen veel doen. En lokale politici kunnen er conclusies aan verbinden dat het rijk geen woord kon houden en pragmatisch met opvang aan de slag gaan.

Thomas Spijkerboer is hoogleraar migratierecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.