Het koopkrachtplaatje zegt zo weinig, maar ligt politiek zo gevoelig

De koopkrachtcijfers speelden vroeger geen rol in het politieke debat. Nog altijd gaat het om steekproeven, maar het onderzoek is wel verfijnd. Niet de volle waarheid vertellen, kan een kabinet duur komen te staan.

Den Haag, 17 februari 1998 De Katholieke Bond van Ouderen houdt een manifestatie tegen aantasting van de koopkracht. Het ouderenkoor zingt uit volle borst en met open mond een protestlied. foto bert verhoeff Bert Verhoeff/Hollandse Hoogte

Koopkrachtplaatje. Toenmalig minister van Financiën, de CDA’er Frans Andriessen, was in 1978 één van de eerste politici die dit woord gebruikte. Hij deed het tijdens een debat in de Eerste Kamer in de donkere dagen voor Kerstmis. Ook toen ging het niet goed met de economie. Ook toen dreigden mensen met hun inkomen in de min te raken. Onder dergelijke omstandigheden gedijt het begrip koopkracht. De woorden koopkracht en crisis zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In tijden van economische voorspoed is koopkracht geen politiek issue. Dan groeit deze vanzelf. Dat wil zeggen: voor de meesten.

De koopkrachtkenner van Nederland is de econoom Flip de Kam. Sinds kort met pensioen en nu honorair hoogleraar economie van de publieke sector aan de Rijksuniversiteit Groningen. In de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen een rechtvaardiger inkomensverdeling dankzij het kabinet Den Uyl hoog op de politieke agenda stond, schreef hij in de Haagsche Post samen met Frans Nypels en Kees Tamboer talloze stukken over de inkomens in Nederland. Legendarisch was hun stuk over Piet Bodemeijer waarmee de fictieve werknemer Jan Modaal opeens een gezicht kreeg. Het was geen opwekkend beeld dat zij schreven over de portemonnee van de werknemer bij Hoogovens. „Wij komen op voor de Piet Bodemeijers van deze wereld”, riep Den Uyl in de Tweede Kamer uit.

Het verhaal was een illustratie van het gegeven dat de standaard koopkrachtplaatjes bijna nooit de reële situatie weerspiegelen. Het zijn gemiddelden. Voor ieder huishouden ontwikkelt de koopkracht zich anders. De Kam: „Helaas is de werkelijkheid rijkelijker en verscheidener. Kinderen gaan het huis uit, mensen gaan uit elkaar, er gaan mensen dood en ga zo maar door.”

De eerste zeer globale koopkrachtcijfers dateren al uit 1952. Toen werd in een VN-rapport een gemiddeld cijfer voor Nederland genoemd. Het speelde toen geen rol in het politieke debat. Nederland zat in die tijd na de Tweede Wereldoorlog in de nadagen van de strikt geleide loonpolitiek, waarbij vooral het bestaansminimum werd gegarandeerd. Vlak na de bevrijding kwam de regering met een decreet waarbij alle lonen op 125 procent van die van 10 mei 1940 – de dag van het uitbreken van de oorlog – werden gesteld. Op die manier konden de tussentijds gestegen kosten van levensonderhoud worden opgevangen.

Meer systematische aandacht voor de koopkracht ontstond er pas vanaf 1969 toen het Centraal Planbureau in zijn periodieke rapportages met koopkrachtoverzichten voor verschillende inkomensgroepen kwam. „Het was allemaal nog zeer summier, waarbij met een heleboel zaken geen rekening werd gehouden”, weet De Kam zich te herinneren. Het koopkrachtmodel was gebaseerd op een steekproef. Later is het Planbureau het onderzoek gaan verfijnen en kwam het met de tegenwoordig veelbesproken ‘puntenwolken’: hoe donkerder de wolk, hoe meer mensen eronder vallen.

Maar nog altijd gaat het om steekproeven en dus gemiddelden. Inkomens veranderen vooral doordat mensen van baan verwisselen, promotie maken of dat de samenstelling van het huishouden verandert. Deze zogeheten „dynamische factoren” zitten volgens De Kam niet in de puntenwolken van het Planbureau, maar driekwart van de inkomens heeft wel met deze ontwikkelingen te maken.

Het koopkrachtcijfer is dus vooral een politieke werkelijkheid. En zodoende ook – zoals de laatste weken hebben laten zien – een zeer gevoelige werkelijkheid. Niet de volle waarheid vertellen over de koopkracht kan een kabinet duur komen te staan. Dat ondervond het eerste kabinet Lubbers begin jaren tachtig van de vorige eeuw dat met een no-nonsensepolitiek van forse bezuinigingen de overheidsfinanciën op orde wilde stellen. In 1984 zei koningin Beatrix in de Troonrede: „Ondanks de noodzaak het uitgavenniveau in de sociale zekerheid te beheersen kan de koopkracht van de sociale minima gelukkig gehandhaafd blijven.” Dat was dus niet waar, bleek al de volgende dag uit nadere cijfers. Het kabinet had de koningin onwaarheden laten uitspreken, brieste de oppositie. Een kostbaar reparatiestelsel met eenmalige en meerjarige uitkeringen voor ‘echte minima’ was de prijs die Lubbers en de zijnen voor politieke rust moesten betalen.

De Nederlandse taal hield er nog het woord ‘belubberen’ aan over. Een vondst van Marcel van Dam die toen voor de PvdA in de Tweede Kamer zat en de eenmalige uitkering – die dus niet structureel was – als een verdwijntruc beschouwde. Daarmee werden mensen „belubberd”, zei hij tegen premier Lubbers.

Tegenwoordig draait de discussie niet meer om de koopkracht van de minima, maar om die van de ‘hardwerkende Nederlander’. Kortom, de middenklasse waar een groot deel van het nog altijd mondiger wordende electoraat zit. Dat electoraat neemt geen genoegen meer met bezweringsformules over „mediane koopkrachtontwikkeling”. Dat electoraat gaat met behulp van allerhande websites zelf aan het rekenen en komt vervolgens in opstand. Zodoende kent Nederland na het Palingoproer nu ook het premieoproer. Het is het macrogemiddelde van Den Haag versus de microberekening van de bovenmodale Vinex-bewoners.

Het kabinet was gewaarschuwd. In 1989 ontplofte het tweede kabinet Lubbers van CDA en VVD nadat de gevolgen van de afschaffing van het reiskostenforfait (een voortvloeisel uit het nationaal milieubeleidsplan) in harde guldens duidelijk werd. De Telegraaf en de ANWB stookten het vuurtje eensgezind op en de VVD-achterban raakte in totale paniek. In de coalitie waren de verhoudingen na zeven jaar samen regeren toch al danig vertroebeld dus er was niet veel voor nodig om het kabinet te laten vallen, hetgeen dan ook gebeurde.

Dit voorjaar ontstond dezelfde onrust nadat de gelegenheidscombinatie van VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie in het kader van het Lenteakkoord met de forensentaks aankwam. Het ging om tientallen, soms zelfs honderden euro’s per maand. Wederom was er ook weer de coalitie van De Telegraaf en ANWB. En wederom sneuvelde het plan.

Dit weekeinde gebeurde dat met het voornemen van het nieuwe kabinet om de ziektekostenpremies inkomensafhankelijk te maken. Achterbannen raakte gealarmeerd door de forse kostenverhogingen waartoe dit bij de beter verdienenden zou kunnen leiden. De verdediging dat tegenover deze lastenverzwaring bijvoorbeeld belastingverlaging stond, kwam nauwelijks over. Premieverhoging is kennelijk meer te bevatten dan een belastingverlaging die ergens verstopt zit in het loonstrookje.

Vandaar dat het kabinet besloten heeft het anders te doen. Maar wel met de bedoeling hetzelfde resultaat te bereiken: de laagste inkomens gaan er iets op vooruit, de hoge inkomens gaan erop achteruit. Dat alles ondersteund door het koopkrachtplaatje, het al decennialang zo weinig zeggende koopkrachtplaatje.