Volkswoede om oratie en taalcanon

Twee publicaties vragen deze week om aandacht, maar eerst moet worden opgemerkt dat het woord volkswoede de afgelopen weken een forse devaluatie heeft ondergaan. Voorheen werd dit vooral gebruikt in verband met ongecontroleerde, woedende burgers. Meestal op straat en meestal gewelddadig. In Nederland is volkswoede tamelijk zeldzaam, maar denk aan Bijltjesdag, het Palingoproer en de lynchpartij van de gebroeders De Witt.

Recente beelden van volkswoede: een kritische intellectueel in een praatprogramma die zegt: „Inkomensafhankelijke ziektekostenpremie berokkent beide partijen schade.” En: keurige dames en heren in een zaaltje, nors kijkend naar een VVD-politicus die probeert uit te leggen dat er bij het bruggen slaan nog aan wat knoppen moet worden gedraaid (dé uitdrukking van de week).

Ik bedoel: ook in taal kun je nivelleren.

Maar goed, twee taalpublicaties dus. De eerste is vandaag verschenen en heet Alles wat je altijd al had willen weten over taal. De taalcanon.

U moet weten dat Nederland het dichtst becanoniseerde land ter wereld is. Na de succesvolle geschiedeniscanon met vijftig vensters zijn er minstens 26 canons verschenen, waaronder de bèta- en gammacanon, de canon van Friesland, Groningen, marketing, nederpop, schaatsen, enzovoorts. De standaard is inmiddels: vijftig onderwerpen.

In de Taalcanon (prijs €25,-), samengesteld door Marianne Boogaard en Mathilde Jansen, zijn dit vijftig ‘verwonderende vragen’ geworden. Vragen die, zo bleek uit onderzoek, de nieuwsgierigheid van mensen opwekken. Ze zijn verdeeld over vijf thema’s: taal leren, taal gebruiken, taal beschrijven, taal maken en taal en betekenis.

U moet daarbij denken aan vragen als: bestaat er een talenknobbel? Antwoord: niet aan de buitenkant van je hoofd, zoals lang is gedacht. Kun je je moedertaal vergeten? Antwoord: dat differs from persoon to persoon. Hoeveel dialecten telt het Nederlands? Antwoord: afhankelijk van het perspectief dat je kiest, 267 of 613. Is hun hebben zeggen echt zo dom? Antwoord: nee (dit is de korte samenvatting, het stuk zelf telt drie pagina’s).

De antwoorden zijn afkomstig van taalwetenschappers. Dat is een risico bij een boek dat is bestemd voor een breed publiek, want lang niet alle wetenschappers kunnen toegankelijk schrijven en dat geldt helaas ook voor taalwetenschappers. Hier en daar stuit je dan ook op onnodig jargon. Zo is ergens sprake van conventionalisering van inferentiestappen bij coöperatieprincipes (als ik het goed heb begrepen). De meeste bijdragen zijn echter boeiend, goed leesbaar en leerzaam. Wel zal er, zonder enige twijfel, kritiek komen op de onderwerpselectie, maar vermoedelijk zal de volkswoede hierover zich beperken tot besprekingen in vaktijdschriften.

Om vast een kleine voorzet te doen: van mij had er nóg meer in gemogen over de inzet van computers bij taalonderzoek (er gaan nu twee vragen over), want de echt grote sprongen voorwaarts in de taalwetenschap danken we vandaag de dag aan de analyse van grote hoeveelheden data door de computer.

Dat is meteen het onderwerp van de tweede publicatie die om aandacht vraagt, de oratie afgelopen vrijdag van Antal van den Bosch. Van den Bosch is hoogleraar ‘Example-based language modelling’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen en hij ontwikkelt buitengewoon slimme taaltechnologie voor zoekmachines, vertaalprogramma’s en spellingcorrectoren (zie valkuil.net).

„De computer heft langzaam maar zeker het resterende verschil tussen alfa en bèta op, terwijl de strijd tussen data en theorie er met de computer eindeloos veel slagveldruimte bij krijgt”, stelde Van den Bosch.

Hij zei zelfs, voor een zaal keurige dames en heren: „De computer werkt nivellerend.” Moedig vond ik dat.

Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.