Stelen is niet normaal

Verbijstering zou moeten zakken. Zeker na een paar dagen. Maar hoe langer ik erover nadacht, over het weglachen van de vastgoedfraude, hoe verbijsterder ik werd. En ‘verbijsterder’ is dan, afgezien van raar Nederlands, een vriendelijk eufemisme.

Het ging over het toneelstuk De verleiders. Volgens de aankondigingen is dat een voorstelling over ‘duivels-charmante’ zakenmannen uit de vastgoedwereld. Mannen ‘die dikke deals sluiten, in de boeien worden geslagen en uiteindelijk worden veroordeeld in de grootste fraudezaak die Nederland ooit kende. De voorstelling onderzoekt onze hebzucht. Want sjoemelen we niet allemaal wel eens?’

Wat is dit voor dommigheid, denk je dan. ‘Sjoemelen we niet allemaal wel eens?’ Ik erger me al weken over dit veelgehoorde commentaar op al die corrupte zakenmannen en bestuurders. Hoezo sjoemelen we allemaal? Privé, ja, aan de keukentafel. Met klaverjassen. Maar niet in functie, niet met gemeenschapsgeld, mag je hopen. Niet met het belang van anderen dat ons is toevertrouwd. Niet als daardoor honderden mensen ontslagen op straat komen te staan. Duizenden hun pensioenen verliezen. ‘Sjoemelen we niet allemaal wel eens?’ Nee, we sjoemelen helemaal niet allemaal weleens, en het is ook niet normaal, geaccepteerd, grappig of duivels-charmant!

Enfin, de acteurs komen de voorstelling dus aanprijzen. Die draait om de vraag hoe Nederland zijn geld verdient, zeggen ze. „Zijn we daar nog blij mee?” De acteurs blijken er hartstikke blij mee, en van de weeromstuit zijn de vastgoedboeven ook blij met de acteurs. Dat laatste is niet zo vreemd, zegt Matthijs van Nieuwkerk. Het stuk biedt immers volop begrip voor frauderen en feesten met gestolen geld. „Het is geen aanklacht.” Nee, zegt de ene acteur. „Het stelt de vraag aan het publiek: Wat had u dan gedaan? Met die fantastische grote bedragen?” De andere acteur vult aan dat de fraudeurs niets anders doen dan wij allemaal.

Ocharme. Midden tijdens politieke commotie over solidariteit en verdelende rechtvaardigheid – de omgang met premiegelden – worden deze nette mensen nonchalant over de verduistering van pensioenen. Waarna hun toelichting ontaardt in gebazel over „ons kapitalistische verdienmodel” dat gebaseerd zou zijn op liegen en graaien. Alsof het geheimhouden van bedrijfsinformatie hetzelfde is als oplichting, alsof de uitwassen van het kapitalisme niet juist worden bestreden met dezelfde wetten die in de zaak van de vastgoedfraude zijn overtreden.

En, o ja, zeggen de heren, nu zitten er tenminste eens geen oude wijven in de zaal, „voor ons niet leuk om naar te kijken” – jawel, een grapje, moet kunnen – maar echte mannen, advocaten, de betrokken vastgoedhandelaren. „De hele zakelijke wereld zit daar, het is echt fantastisch!” De ene acteur heeft de grootste boef zelfs mogen ontmoeten, „en ik viel als een blok voor hem”.

Het zou zo erg nog niet zijn, dat vettige lachen en dat gênante meedoen met de grote jongens in de zandbak, als het publiek op deze manier niet steeds vanuit onverdachte hoek de boodschap kreeg ingepeperd dat criminaliteit normaal is. Laten we voor ons fatsoen eens kijken naar de effecten van zo’n boodschap. Allereerst naar aanleiding van het nieuwe boek van de populaire gedragseconoom Dan Ariely, over oneerlijkheid, The Honest Truth About Dishonesty.

In alle publiciteit rondom het boek – ik heb het nog niet gelezen – beschrijft Ariely oneerlijkheid als een besmettelijke ziekte. Om die reden moet je zelfs heel kleine overtredingen en vergrijpen niet toestaan, zegt hij. Ze leggen de lat namelijk lager voor iedereen, en ze bevorderen een cultuur van oneerlijkheid. Gelukkig kun je de besmettelijkheid ook voor het tegenovergestelde effect gebruiken, zodat mensen juist worden aangezet tot eerlijk gedrag. Maar dan moet je het belang van eerlijkheid wel aan het begin van iedere samenkomst of vergadering opnieuw uitspreken en er voortdurend op blijven hameren.

Twee weken geleden verspreidde Reuters een bericht dat hierbij mooi aansloot. Amerikaanse en Britse belastingdiensten, stond er, gebruiken inzichten van gedragseconomen om de betalingsbereidheid te verhogen. Vertellen wat alle anderen doen bleek een effectief middel om gedrag te sturen. Vergeet niet dat het systeem is gebaseerd op vrijwillige medewerking, zei een belastingspecialist, en dat de meesten zich graag goed gedragen, als ze maar weten wat de regel is. Zo merkte de Britse fiscus dat de bereidheid tot betalen steeg zodra je mensen liet weten dat ze tot een paar procent treuzelaars behoorden.

Al die lacherige en stoerdoenerige beweringen „dat we allemaal wel eens sjoemelen” richten dus omgekeerd onvoorstelbaar veel economische schade aan. Ze stellen een norm, bederven de medeburgers en perverteren de samenleving. Oneerlijkheid is een besmettelijke ziekte, en als je aan de bovenkant van de samenleving de boodschap verkondigt dat stelen normaal is, zakt die vanzelf naar de onderkant van de samenleving.

Op straat grissen de kleine boeven de nieuwe iPhone uit de hand van bellende passanten. Tja, het kapitalistische verdienmodel, mevrouw, meneer. ’s Lands grootste acteur heeft het zelf gezegd.

Maxim Februari is filosoof en schrijver.