Mali's blues zwijgt

Moslimextremisten in Noord-Mali zijn een oorlog tegen de ‘muziek van satan’ begonnen. Ze plunderen studio’s en vernielen instrumenten. Volgens drie Malinese muzikanten staat dit gelijk aan een aanval op de ziel van Mali, het land met de rijkste muzikale traditie van het continent. ‘Muziek is het enige wat we hebben.’

De muzikanten van Noord-Mali is het zwijgen opgelegd. Muziek is bij decreet verboden door de islamitische extremisten die er sinds april de scepter zwaaien. Ze plunderen studio’s, vernietigen opnames en vertrappen instrumenten. Wie in Noord-Mali iets anders zingt dan koranverzen, is zijn leven niet zeker.

Het schrikbewind van de aan Al-Qaeda gelieerde groep Ansar ud-Din veroorzaakt niet alleen een humanitaire crisis in de regio – naar schatting 500.000 mensen zijn gevlucht – maar ook een culturele crisis. Het historisch erfgoed van Timboektoe wordt vernield. De muzikanten uit het noorden, de woordvoerders van het volk, zwijgen of zijn naar het buitenland gevlucht.

Mali is een van de armste landen van Afrika, maar het heeft misschien wel de rijkste muziektraditie van het continent. Zogeheten griotten, lofzangers, gelden al sinds de Middeleeuwen als de verhalenvertellers van de Sahel. Hun liedjes zijn als geschiedenisboeken, onmisbaar in een grotendeels analfabete samenleving. De laatste decennia voegden zich nieuwe populaire zangers bij het muziekgilde en werd muziek het bekendste exportproduct van het land.

„We hebben weinig materiële zaken”, zegt zangeres Fatoumata Diawara. „Muziek is het enige wat we hebben in Mali. Het is onze ziel.” Diawara hoort bij een nieuwe generatie muzikanten die ook buiten Mali een groot publiek vinden. Die internationale interesse begon rond 1980 met Salif Keita, die westerse pop mengde met traditionele muziek. Westerse producers ontdekten de link tussen de Amerikaanse blues en het gitaarspel van bijvoorbeeld Ali Farka Touré. De ‘woestijnblues’ van de Toeareg-band Tinariwen deed het goed op grote festivals als Lowlands. En Bono (U2) en Damon Albarn (Blur) introduceerden Malinese muzikanten bij het poppubliek.

Maar sinds militairen in maart een coup pleegden tegen de regering van Mali, klinkt er geen muziek meer in de woestijn. De coup volgde op een opstand van de Toeareg-beweging MNLA, maar het waren moslimextremisten die in de chaos de macht overnamen in Noord-Mali. Ze controleren nu een gebied ongeveer zo groot als Frankrijk. De hele Sahel dreigt ontwricht te raken.

De meeste informatie komt van vluchtelingen in de hoofdstad Bamako. Het muziekverbod werd per decreet aangekondigd: „We willen de muziek van de satan niet. Koranverzen moeten die plek innemen. De shari’a vereist dat.”Human Rights Watch citeert een gevluchte medewerker van een radiostation, waarvan het archief met lokale opnames werd vernietigd: „Ze vermoorden ons weliswaar niet, maar ze vernietigen onze geschiedenis, dat is bijna net zo erg.”

Veel van die historie is vastgelegd in liedjes. Het beperkte aantal geschreven bronnen over de Sahel ligt in bibliotheken in Timboektoe, het spirituele centrum van de woestijn. De historische moskeeën van de stad zijn de extremisten niet streng genoeg, het UNESCO-werelderfgoed wordt bedreigd, enkele graftombes zijn al vernield.

Ook het bureau van één van de belangrijkste muziekfestivals van West-Afrika, Festival au Désert, werd geplunderd. Het festival met voornamelijk Toeareg-muziek kan dit jaar niet gehouden worden. In plaats daarvan zal in februari een muziekkaravaan door een aantal Sahellanden trekken, ‘voor vrede en nationale eenheid’.

Deze maand speelden enkele Malinese muzikanten op verschillende locaties in Nederland. Drie van hen wilden praten over de situatie in Mali. Niet iedereen kon vrijuit spreken. Vieux Farka Touré zegde het interview af omdat zijn familie in het noorden gevaar kan lopen. Hij is de zoon van de in 2006 overleden Ali Farka Touré, de beroemdste gitarist van Mali, en zou een makkelijk doelwit kunnen zijn.

Fatoumata Diawara, zangeres: ‘Muziek is het enige wat we hebben’

„Ze willen dat we de hele dag God toezingen, maar we hebben wel betere dingen te doen.’’ Volgens Fatoumata Diawara is het belangrijk om je soms tot God te richten, maar wat de moslim-extremisten willen is ‘middeleeuws’. „Ik denk niet dat Malinezen ooit zullen toelaten dat muziek hen wordt afgepakt.’’

Diawara is de rijzende ster van Mali, haar album Fatou is een wereldwijd succes. Ze werd in Ivoorkust geboren uit Malinese ouders. Op haar tiende ging ze bij familie in Zuid-Mali wonen en leerde ze zingen in de wassoulou-traditie. In haar liedjes maakt ze sociale taboes zoals vrouwenbesnijdenis bespreekbaar.

Hoewel het in wassoulou gebruikelijk is dat vrouwen zingen, mengen ze zich zelden zo fel in discussies als Diawara. „Ik heb me altijd uitgesproken over vrouwenrechten in Afrika. Het is nu nog belangrijker om daarvoor aandacht te vragen, want er zijn honderdduizenden vrouwen en kinderen gevlucht. Het Malinese leger kan de crisis niet aan. Het Westen moet militair ingrijpen. Niet alleen voor Mali of de regio, maar voor de hele wereld. Nu is het noorden een plek waar bad guys zich kunnen verzamelen.’’

Als ze wil uitleggen wat een muziekverbod voor Mali betekent, hapert haar woordenstroom. „Dat is… hoe moet ik dat zeggen… Je kunt je niet voorstellen hoe belangrijk muziek is voor Mali, voor Afrika. We hebben weinig materiële zaken, muziek is het enige wat we hebben. Het is onze ziel.’’

Van familie in het noorden hoort ze verhalen over kapotgeslagen instrumenten en studio’s en dat vrouwen in boerka over straat moeten. Vorige maand was ze nog in de hoofdstad Bamako voor een optreden. „Als er niet ingegrepen wordt, kan dat binnenkort niet meer. De extremisten willen meer.” Ze benadrukt dat er geen oorlog is tussen het noorden en het zuiden van Mali, dat het extremisten van buiten zijn die de ellende veroorzaken. Toch heeft ze moeite met de Toearegbeweging, die met geweld haar vrijstaat Azawad in het noorden probeerde af te dwingen en daarmee de crisis inleidde.

„Dit was vast niet wat de Toeareg voor ogen hadden, maar de uitkomst verbaast me niet: ze probeerden het met geweld, dus geweld is het gevolg.” Het belangrijke ‘Festival au Désert’ dat jaarlijks rond Timboektoe wordt gehouden, wordt dit jaar een karavaan door de regio, tegen oorlog en extremisme. Diawara: „Als ze me vragen, speel ik mee. Natuurlijk. Mali is één land, één volk.”

Habib Koité, griot: ‘We glijden heel snel af’

Als Habib Koité zingt, luistert het volk. Zo ligt dat vast in de kastensamenleving van Mali. Koité is een afstammeling van de belangrijkste ‘griot’, lofzanger van het hof van het middeleeuwse Mande-keizerrijk, dus is hij automatisch zanger en daarmee geschiedschrijver. Maar hij is ook een moderne muzikant, die zijn nieuwste album maakte samen met de Amerikaanse folk en blueszanger Eric Bibb. Als griot wil hij onderhandelen met de strijders in het noorden, „maar deze ruwe mensen willen niet praten”.

„Omdat ik uit een griot-familie kom, heb ik het voorrecht dat mensen naar mij luisteren. Als er ruzie of oorlog is, is de griot een onderhandelaar en die rol zou ik graag in deze crisis vervullen. Maar de extremisten lossen het liever met wapens op. Dus zing ik liedjes voor de mensen, over hun angsten en onze cultuur.”

Op zijn nieuwe cd Brothers in Bamako staat het liedje ‘Tombouctou’, een lofzang op de ‘bron van hoop in de woestijn’. Hij schreef het met Bibb toen de eeuwenoude universiteitsstad nog ongeschonden was. „Timboektoe is het hart van onze cultuur. Maar als ik het nu zing, maakt het me alleen maar triest. De stad is kapotgemaakt en de inwoners lijden.”

Volgens Koité blijft de angst in Mali niet beperkt tot het noorden. „Ook in Bamako is de situatie gespannen. De buitenlandse zakenlui en toeristen zijn verdwenen. We hebben die mensen nodig voor de economie, maar ook om de samenleving levendig te houden. Bamako wordt steeds stiller.”

Het grootste probleem is de afwezigheid van openbaar bestuur, zegt Koité. „We hadden een redelijke infrastructuur. We hadden scholen en een bestuur, nu glijden we snel af.” Toch hoort hij van vrienden in het noorden hoopvolle verhalen. „Jongeren beginnen zich te verzetten tegen de extremisten. Het is gevaarlijk, maar ik heb gehoord dat er demonstraties zijn geweest die niet eindigden in geweld. Het verzet is logisch: een leven zonder voetbal, muziek, kaarten, roken en meisjes is niet uit te houden. Mali zonder muziek is onmogelijk, dat is tegen onze natuur. De extremisten komen geïsoleerd te staan. Ook het moskeebestuur verzet zich meestal tegen een gewelddadige islam.”

Tijdens concerten in Europa zingt hij ook ‘Tombouctou’. „Ik zing het met pijn in mijn hart, maar ook om te zeggen: vergeet Timboektoe niet, vergeet Mali niet.”

Tinariwen, de stem van de Toeareg: ‘ De Coup bracht ons dichter bij vrijheid’

Gitaren en geweren; voor de Toearegband Tinariwen is het een vertrouwde combinatie. Tinariwens cassettebandjes speelden in de jaren tachtig en negentig een rol bij het mobiliseren van de opstand van de nomadische Toeareg. Al sinds de onafhankelijkheid van Mali in 1960 vechten de Toeareg voor een eigen woestijnstaat, Azawad. De band werd opgericht in een militair trainingskamp van de voormalige Libische leider Moammar Gaddafi. Na diens val keerden veel goed bewapende strijders terug.

De muzikanten zeggen dat ze de geweren definitief voor gitaren hebben verruild, maar volgens bassist Eyadou Ag Leche waren ze aanvankelijk blij met de coup. „Als de vijand geweld gebruikt, zijn wij genoodzaakt ook geweld te gebruiken. De laatste jaren hebben we een politiek spel gespeeld, maar we kregen niet wat we wilden: Azawad. De coup leek dat te veranderen.”

Maar de droom van Azawad verdampte snel toen bleek dat de extremisten die meevochten heel andere plannen hadden dan MNLA. Volgens Eyadou zijn de Toeareg nu opnieuw slachtoffer.

„Onze basis ligt in de woestijn van Noord-Mali, maar we voelen ons geen Malinezen. We hebben niets tegen de mensen in Zuid-Mali, onze vijand is het leger. Wij hebben ook geen interesse in de shari’a, die hoort niet thuis in onze samenleving. Ook de fundamentalisten zijn vijanden van een vrij Azawad. Vlak na de coup waren het de extremisten die onze mensen vermoordden en met geweld onderdrukten.”

Volgens Eyadou gaat het nu beter in Noord-Mali. „Onze familie zegt dat de Toeareg zich verenigen tegen het terrorisme. In de dunbevolkte woestijngemeenschappen zoals Tessalit zijn de extremisten bang en verlaten ze de dorpen. In Tessalit kunnen we gewoon muziek maken, maar in Gao en Timboektoe zijn de extremisten aanwezig met wapens, daar is de situatie anders.”

Eyadou neemt afstand van het militante verleden van zijn band. „Als muzikanten worden we gezien als de stem van de Toeareg. We zingen over de zorgen van ons volk, het verlangen naar een eigen Azawad. In het Westen wordt vaak de overeenkomst met blues benadrukt. Die is er zeker, maar onze zorgen zijn nog ouder dan die van Amerikanen. Onze zorgen zijn eeuwenoud.”

Luister muziek van de geïnterviewde muzikanten op: nrc.nl