Die eerste blik

De situatie: je bent nieuw in de buurt en zoekt dat Amelie-Poulin-achtige-buurtgevoel. Onderweg naar het park kom je je voetspecialist met zijn hondje tegen. Hij kijkt nog even naar je voet, zegt dat je deze week nog een keer langs moet komen, en je rent weer door met dat speciale buurtgevoel in je buik: je hoort erbij. Het wordt een mooie dag.

Eenmaal in het park, sta je in de startblokken om iedereen, inclusief de bomen, een goedendag te wensen. Maar die eerste blik is altijd een beetje onhandig: je kent elkaar niet maar er is wel zeker sprake van herkenning. Ja, je weet zeker dat hij het is, hij is je deze maand immers al twee keer tegemoet gerend in het park. En daar komt hij weer aangerend. Wat doe je nu? Zeg je hem gedag? Misschien wat te aardig. Draai je dan je hoofd weg? Misschien wat te onaardig. Kortom: Wat zeg of doe je als je elkaar herkent maar niet kent en nog niet genoeg kent om elkaar zonder vervelende onhandigheden te kunnen groeten?

De onhandigheid zit hem in het volgende: het in jouw richting rennende object is een hij, en jij bent een zij. En een nieuwe Hij en een nieuwe Zij waar geen geringde of boos kijkende partner naast loopt brengt bijna altijd iets onhandigs.

Je ziet het object vanuit de verte aan komen rennen. Wat nu? Wat zeg je? Hoe kijk je als je de ander wil zeggen dat je slechts op zoek bent naar dat buurtgevoel, en verder niets? Nerveus geworden van de complexiteit van de situatie, knik je met rode wangen in zijn richting. Oh jee, wat moet ie nu wel niet denken? Wat? Komt ie nu naar je toe gerend?! K*t. Volgende keer kijk je weer gewoon naar de grond.