Blauwe blues

In de lobby van mijn Victoriaanse hotel in Manchester stond de televisie aan. Zonder geluid. Koningin Elizabeth liep met haar vierkante benen op een monument af. Ze zette een krans tegen een zuil, deed een paar passen naar achteren en knikte.

Haar gedachten waren bij de slachtoffers van oorlogen.

De meeste hotelgasten hadden weinig eerbied voor Remembrance Day. Hun leven ging door. Een paar supporters in blauwe voetbalshirts van Manchester City stonden aan de balie. Ze moesten naar het stadion, even buiten het centrum. Ik moest ook die kant op.

Had de technische dienst de hotelliften uitgeschakeld tijdens de twee minuten stilte op televisie? Veel gasten kwamen via de centrale trap naar beneden gelopen. Ik had in de stilte mijn mond gehouden en dacht ondertussen aan het tijdstip van vertrek naar de wedstrijd.

Op de tribune van het Etihad Stadium schuifelde een oude man aan me voorbij. Hij had een wollen pet op en droeg een jas van vroeger. Op zijn revers zat een klaproos, het teken van Remembrance Day. Hij had er op zijn minst één wereldoorlog opzitten, zo te zien.

Militairen kwamen het veld op. Ze kregen applaus van het volk op de tribunes. De spelers stonden klaar rond de middencirkel. De stadionspeaker vroeg om stilte. Iedereen ging staan. Ik kon niet achterblijven. Het geroezemoes verstomde. Citytrainer Mancini rechtte zijn rug. Het werd stil. Als ik maar niet gebeld werd op mijn telefoon die ik vergeten was uit te zetten.

De scheidsrechter hield zijn horloge in de gaten. In het stadion had niemand een slechte gedachte in het hoofd, zo leek het. Nog even en ik had er in totaal vier minuten stilte opzitten.

Een fluitje klonk. Hard applaus.

Citydoelman Joe Hart kreeg een schot op doel niet klemvast. 0-1. Het publiek begon te morren. Werd het weer zo’n middag zoals honderden in de historie van de club? Ging het weer allemaal mis?

Typically City, heette dat gevoel in mineur, de blauwe blues.

Emmanuel Adebayor van de Spurs speelde een fantastische wedstrijd. Met zijn lange lijf wist hij behendig te passeren. Hij kreeg harde tackles te verwerken. Adebayor versierde steeds een vrije trap. Toen hij voor de zoveelste keer op de grond lag werd het Citypubliek woedend.

Ik keek om me heen. Mannen stonden op en wezen met hun wijsvinger naar Adebayor. Of ze hem konden raken met donderstralen. Adebayor lag op zijn rug op het gras. Hij deed de bal onder zijn hoofd en nam een houding aan of hij ging zonnen.

De Cityfans sprongen uit hun vel. Ze wilden Adebayor het liefst te lijf. De spits bleef kalm en trok – nog altijd op zijn rug liggend – zijn kousen tergend langzaam omhoog. De woede bereikte een hoogtepunt op een plek waar eerder de rust van een doodsakker heerste.

Adebayor stond op. Eén man die de massa bespeelde. Hij kreeg een fluitconcert. Een golf van haat op Remembrance Day.

City won uiteindelijk met 2-1. Terwijl het team naar de fans zwaaide, begonnen de groundsmen met hun harken het veld te repareren. De spelers liepen voldaan naar de tunnel.

Op de shirts was een klaproos gestikt, de bloem die het best groeit in omgewoelde aarde.