Weg bij Strauss-Kahn, terug bij haar grootvader

Na haar scheiding van Dominique Strauss-Kahn is Anne Sinclair terug in de schijnwerpers – maar nu op haar manier. Thuis, in Parijs, vertelt ze over het boek dat ze schreef over haar grootvader, kunsthandelaar Paul Rosenberg.

16 Feb 2012 --- French television and radio host Anne Sinclair at Musée Jacquemart-André, in Paris. --- Image by © Marianne Rosenstiehl/Corbis © Marianne Rosenstiehl/Corbis

Tot anderhalf jaar geleden was New York voor Anne Sinclair synoniem met het paradijs. Ze associeerde de stad met de onbezorgde vakanties die ze er als jong meisje doorbracht bij haar grootouders. Ze herinnerde zich de magie van de Kerstman die op straat zijn bel luidde. En het chocolade-ijs met slagroom in ijssalons met banken van rood skai. Ze herinnerde zich hoe trots ze zich voelde op de momenten dat haar opa, die een kunsthandel dreef in 79th Street, haar meenam om schilderijen te bekijken bij galeriehouders elders in de stad. New York, dat stond voor vakantie, verwennerij en gelukzaligheid.

Maar op 14 mei 2011 veranderde het paradijs plotseling in een hel. Het noodlot diende zich aan in de vorm van een telefoontje van een advocaat. Sinclairs echtgenoot, Dominique Strauss-Kahn, op dat moment directeur van het Internationaal Monetair Fonds, zat vast in een politiecel in New York. Een paar uur later zat Sinclair in het vliegtuig richting de VS. Haar man werd verdacht van verkrachting van een kamermeisje van het hotel waar hij logeerde.

Het was het begin van de ‘affaire-DSK’, een juridisch en politiek feuilleton dat internationaal veel ophef veroorzaakte. En zeker in Frankrijk. Want Strauss-Kahn was niet alleen IMF-directeur in crisistijd, hij was tevens de gedoodverfde presidentskandidaat van de Parti Socialiste en in die rol uitdager van Nicolas Sarkozy tijdens de verkiezingen van 2012. Sinclair betrad in die dagen, ogenschijnlijk onaangedaan, de trappen van de rechtbank in New York, een vastberaden glimlach op haar gezicht.

In de mediastorm stond ze pal achter haar man. Ze stond garant voor zijn borgsom, vond een luxueus onderkomen in de wijk Tribeca en huurde de beste advocaten voor hem in. Bij sommigen dwong ze daarmee respect en bewondering af. Anderen verklaarden haar voor gek. Het was een publiek geheim dat DSK geen kans op een avontuurtje onbenut liet, zeggen die dan. Was Sinclair ziende blind? Zeker is dat ze zware maanden beleefde in New York. Waande ze zich er ooit prinses, nu voelde ze zich er een gevangene.

Het werd geen happy end. Zeker niet voor Strauss-Kahn. De strafzaak hebben zijn advocaten weliswaar weten af te wenden, maar het civiele proces is nog allerminst van tafel. Eenmaal terug in Parijs raakte hij opnieuw in opspraak, ditmaal zou hij de drijvende kracht zijn achter een prostitutienetwerk in Noord-Frankrijk. De zaak werd geseponeerd. Tegelijk waren de details die uit de getuigenverhoren naar de pers lekten dermate belastend dat DSK de voortzetting van zijn politieke carrière, voor zover die na de affaire in New York nog bestond, voor altijd kan vergeten.

Het huwelijk van Sinclair en Strauss-Kahn overleefde het niet. In een interview gaf Sinclair deze zomer in bedekte termen toe dat de echtscheiding een feit was. Maar professioneel gaat het haar voor de wind. Ze pakte haar journalistieke carrière weer op en trad begin dit jaar aan als hoofdredacteur van Le Huffington Post, de Franse versie van de populaire Amerikaanse weblog.

Ze staat volop in de schijnwerpers dus, of beter gezegd: ze is weer terug in de schijnwerpers. Want ooit was Sinclair de onbetwiste ster van de Franse televisiejournalistiek. In 1984 begon ze met het presenteren van 7 sur 7, een interviewprogramma dat dankzij haar uitgroeide tot een begrip in de Franse politiek. François Mitterrand, Jacques Chirac, Jacques Delors, Lionel Jospin, alle belangrijke politici van dat moment kreeg ze aan tafel.

In 1991 verliet ze haar eerste echtgenoot voor Dominique Strauss-Kahn. Toen DSK in 1997 minister van Financiën werd koos ze, met pijn in haar hart, voor een rol achter de schermen. Een opmerkelijke stap voor de vedette die ze was. Maar ze bespaarde zich in elk geval de kritiek die Valérie Trierweiler, de levenspartner van president François Hollande, kreeg toen ze dit voorjaar zei dat ze haar journalistieke carrière wenste voort te zetten.

„Ik kan alleen maar voor mijzelf spreken”, zegt Sinclair daarover, in haar appartement aan het befaamde Place de Vosges in Parijs. „Ik had een programma waarbij ik politici iedere vraag kon stellen die ik wilde. Maar zodra mijn echtgenoot minister zou zijn, zou ik mijn geloofwaardigheid verliezen. Het publiek zou mij niet meer zien als mijzelf, maar als ‘vrouw van’. Als mijn broer minister was geworden, had ik precies hetzelfde gedaan. Het gaat er niet om dat je je als vrouw onzichtbaar maakt; het is de schijn van belangenverstrengeling die je moet vermijden. Althans, zo voelde ik dat.”

Sinds ze vorig jaar september in Frankrijk is teruggekeerd, repte ze met geen woord over wat er zich in New York achter de schermen afspeelde. Ze heeft ook nu geen enkele behoefte dat te doen, ondanks de aanhoudende druk vanuit de Franse media. „Ik begrijp dat de zaak veel heeft losgemaakt, aangezien het een prominent politicus betrof”, zegt ze. „Maar inmiddels word ik al anderhalf jaar door journalisten achtervolgd. Gisteren stonden hier nog paparazzi voor de deur! Dat is een inbreuk op mijn privéleven die ondraaglijk is. Ik oefen geen openbaar ambt uit, hoef aan niemand verantwoording af te leggen. Het feit dat erover wordt gesproken is niet meer dan normaal, maar de wijze waarop dat hier in Frankrijk gebeurde, in de trant van ‘Anne Sinclair moet haar echtgenoot verlaten’, gaat me te ver.”

Dat het haar ernst is, blijkt een paar uur na afloop van het gesprek, op het moment dat duidelijk wordt dat ze Paris-Match voor de rechter daagt. Het Franse boulevardblad zal die dag groots uitpakken met Sinclairs „nieuwe liefde”. Het zou gaan om Pierre Nora, historicus, gevierd uitgever bij Gallimard en lid van de Académie Française, de instelling die sinds 1635 waakt over de zuiverheid van de Franse taal.

De reacties laten niet op zich wachten. De met Le Huffington Post concurrerende website Rue89 merkt fijntjes op dat Sinclair zich voorheen niet te beroerd voelde haar privéleven uitgerekend in Paris-Match te etaleren. Zoals op het moment dat Strauss-Kahns poenerige imago hem twee jaar geleden parten begon te spelen en het paar zich gewillig thuis in Washington liet fotograferen terwijl DSK een biefstuk bakte.

Het lijkt erop, stelde haar biograaf, dat Sinclair, zoals iedere ster, niet zozeer haar privéleven probeert af te grendelen als wel uit alle macht de beeldvorming ervan in eigen hand probeert houden. Dat ze bij haar thuis ontvangt is dan ook allerminst vanzelfsprekend. Niet eerder ontving ze er een journalist, bezweert haar persattaché. Geheel vrijwillig is het niet. Ze heeft haar been in het gips en verschanst zich te midden van stapels boeken in een bijkamer van de salon.

Aanleiding voor het interview is de publicatie van de Nederlandse vertaling van Rue La Boétie 21, een hommage aan haar grootvader. Sinclairs eisen zijn onverbiddelijk: geen vragen over haar privéleven, geen beschrijvingen van haar appartement, en de persattaché blijft bij het gesprek. Citaten worden achteraf geautoriseerd.

Paul Rosenberg (1881-1959) was niet zomaar een kunsthandelaar, hij had exclusiviteitcontracten met Pablo Picasso, Henri Matisse, Georges Braque en Fernand Léger en toonde zich een gepassioneerd voorvechter van hun revolutionaire stijl. In die hoedanigheid zou Sinclairs grootvader bepalend blijken voor de ontwikkeling van de twintigste-eeuwse schilderkunst.

Natuurlijk herinnerde Anne Sinclair zich haar grootvader. „Ik was 11 jaar toen hij overleed. Mijn beeld van hem was dat hij me adoreerde, maar ook dat ik beetje bang voor hem was, omdat hij heel mager was, veel rookte en niet altijd even goed uit zijn woorden kwam, vanwege een beroerte die hij op latere leeftijd had gekregen.”

En uiteraard wist ze dat hij vanwege zijn joodse afkomst tijdens de bezetting Frankrijk had moeten ontvluchten en naar de Verenigde Staten was gereisd. Ze wist dat een groot deel van zijn collectie door de Duitsers was geroofd en slechts een deel daarvan ooit teruggevonden was. En natuurlijk wist ze dat Picasso haar moeder had geschilderd en ooit schertsend had gedreigd hetzelfde met de puberende Anne te doen.

‘Maar verder had ik aanvankelijk niet zoveel belangstelling. Ik wilde mijn eigen leven leiden, de wereld van de journalistiek ontdekken en die van de politieke journalistiek in het bijzonder. Ik las over kunst, bezocht musea, maar de wereld van mijn grootvader vormde niet het centrum van mijn belangstelling. Dat veranderde toen ik de zestig naderde en behoefte kreeg de uiteenlopen elementen samen te voegen.”

Dat Sinclair een aantal schilderijen van Rosenberg in haar bezit heeft, is geen geheim. Toch prikkelden die haar niet zich uitvoerig in het leven van haar grootvader te verdiepen. Dat gebeurde pas tijdens een bezoek aan de prefectuur van politie op de Quai de Gesvres in Parijs, begin 2010. Wat een simpele vernieuwing van haar identiteitsbewijs had moeten zijn, mondde uit in een ondervraging over de ‘francité’ (Fransheid) van haar vier grootouders. Opeens was haar afkomst verdacht, net als die dat voor haar grootouders tijdens het Vichy-regime was geweest. Verontwaardiging maakte zich van Sin clair meester.

„Mijn onaangename ervaring in het politiekantoor stelde niet veel voor”, schrijft ze in haar boek, „maar doordat mijn identiteit in twijfel werd getrokken, werd ik overspoeld door een golf van herinneringen aan het verleden van mijn familie”. Een dwingende behoefte zich in dat verleden te verdiepen bleek het gevolg.

Een paar maanden later stapte ze het pand op Rue La Boétie 21 binnen, een zijstraat van de Champs Elysées. Hier bevond zich haar grootvaders galerie. In het pand ernaast woonde Picasso, zijn ‘spirituele broeder’, zoals hij hem noemde. Via het keukenraam toonde hij Rosenberg zijn laatste werken.

Tijdens de Duitse bezetting – Rosenberg was inmiddels met zijn gezin naar de Verenigde Staten gevlucht – kreeg het pand een sinistere bestemming. Het werd het anti-Joodse Institut d’études des Questions juive. De schrijver Louis-Férdinand Céline, een notoire antisemiet, was er kind aan huis.

„Dat aspect interesseerde me ook”, zegt Sinclair. „Het feit dat Rue La Boétie 21 eerst een plaats was vanwaaruit moderne kunst werd verspreid en vervolgens antisemitische propaganda.”

Onder andere dankzij de enkele honderden brieven die Rosenberg aan Picasso schreef, leerde ze haar grootvader beter kennen. „Ik kreeg de kans me te verdiepen in zijn wezen, met alle angsten, frustraties en zijn ingewikkelde levensloop. Hij werd beroofd van zijn nationaliteit, was in de VS tijdens de oorlog van alle nieuws verstoken. Hij was niet op de hoogte van de Shoah, niet van de plunderingen en wist niet beter dan dat zijn collectie veilig en wel in een kluis nabij Bordeaux lag.”

Naar New York keerde Sinclair sinds de ‘DSK-affaire’ twee keer terug. Haar relatie met The Big Apple bleek ze te kunnen redden. „The love affair continues”, zegt ze.

Maar het boek over de duistere periode die ze er in 2011 beleefde, en waar de epiloog van Rue La Boétie 21, op hint, dat komt er niet. „Dat kan ik u verzekeren.”

Anne Sinclair: Rue La Boétie 21. De Bezige Bij Antwerpen, 224 blz. € 20,-.