Vensterbankpoes

schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: pilletjes.

Ik ken een meisje van dertien dat drugs gebruikt. Het is een dromerig meisje. Ze zit graag op de vensterbank, boven de verwarming, als een poes naar buiten te kijken. Later gaat ze waarschijnlijk de Nobelprijs voor de Vrede winnen (samen met al die andere kinderen van gescheiden ouders – vanwege hun bovenmenselijke loyaliteit).

Maar in het laatste jaar van de basisschool was de vensterbankpoes opeens een probleemkind. De juf wist zich geen raad met haar. Ze had een normale intelligentie (dat was getest), maar ze presteerde heel slecht (ook dat was getest). Haar ouders wisten dat zonder die onderzoeken natuurlijk ook wel. Net zoals zij wisten dat dit kind er wel zou komen. Maar misschien niet als ze naar een school moest waar ze zou leren schoffelen (wat paste bij haar gemeten leerniveau).

Dus deed het meisje nog een test. Ze vulde een lange vragenlijst in. Ze kruiste aan dat ze nooit met haar ontlasting speelt, geen dieren martelt, maar wel moeite heeft om zich te concentreren. Er rolde een diagnose uit: Attention Deficit Disorder. En voor ADD bestaat een medicijn. Nu slikt het dromerige meisje elke ochtend een pilletje dat de rest van de dag haar gedachten streng in het gareel houdt. Inmiddels is ze een briljante mavo-leerling en ontwikkelt ze zich langzaam maar zeker tot een zwerfkatje.

Op internet lees ik dat er kinderen zijn die ook van die pillen krijgen voorgeschreven, maar ze stiekem niet slikken. Ze verkopen hun medicijn liever – voor 7,50 euro per stuk. De pillen zijn geliefd als partydrug en stimulerend middel. Voor wie geen concentratiestoornis heeft werken ze als amfetamine. Op drugsfora stellen jongeren elkaar vragen over welke dosis methylfenidaat (het middel in die pillen) de beste effecten geeft. Studenten slikken het om zichzelf op te peppen voor een tentamen.

Omdat je alles een keer moet proberen, pikte ik een pil van het dromerige meisje. Het doosje stond in de keuken, tussen de olijfolie en het koffieblik.

Het is lang geleden dat ik een lekkernij nuttigde die onder de Opiumwet valt. Dat gebeurde bovendien altijd ’s nachts, als ik ook had gedronken en in verrukkelijk verkeerd gezelschap verkeerde. Nu had ik koffie en sap op en stond ik op het punt naar kantoor te fietsen om de dag door te brengen met collega’s.

De tegenwind deed me niets, eenmaal achter mijn scherm vrat ik mij onverstoorbaar door mijn werk heen, ik voerde onvoorbereid Een Moeilijk Gesprek, tikte na vijven nog een stukje, beantwoordde mail van dagen, zegde eindelijk een abonnement op, haalde aan de andere kant van de stad een pakketje op, ging eten met een vriendin en daarna drinken met een andere vriendin en nam – eenmaal thuis om half twaalf – de roeimachine nog even te grazen en draaide een was.

Nu heb ik wel vaker volle dagen. Maar dan ben ik aan het einde van de dag niet meer zo helder in mijn hoofd. En, belangrijk verschil: dan val ik als een blok in slaap. Nu lag ik om half twee nog te luisteren naar het kloppen van mijn hart.

In een Amerikaans tijdschrift had ik een voorlichtingscampagne gezien tegen medicijnmisbruik: ‘Miljoenen ouders zijn de drugsdealer van hun kind’, stond erboven.

Andersom kan natuurlijk ook: kinderen die de dealer van hun ouders worden. In Nederland slikken tienduizenden kinderen methylfenidaat. Dat betekent tienduizenden potentiële dealertjes. Wat als die opeens een nieuwe gebruikersgroep ontdekken: chronisch vermoeide,werkende moeders.

Daar dacht ik die nacht aan. En aan het dromerige meisje.