Onzichtbaar in het internaat van de moskee En de deelgemeente doet niets

Honderden kinderen wonen in moskee-internaten. Vaak ontbreken vergunningen en zijn de internaten niet veilig. Gemeenten doen niets, of maken legaal wat illegaal is. Hoe het met de kinderen gaat, weet niemand.

Slaapzaal van het illegale meisjesinternaat in Rotterdam-Zuid.

Tegenover portiekwoningen in de Polderstraat in Rotterdam-Zuid staat de rode deur van een laag, bakstenen schoolgebouw open. Het is een voormalige bewaarschool uit 1928 van architect Adrianus van der Steur, die ook museum Boijmans Van Beuningen ontwierp.

In de hal blokkeren twee fietsen de trap naar boven. Onder de trap zit een kapsalon. Door een raam in de hal zijn mannen te zien die in een grote zaal thee drinken uit hoge glazen. Tapijten met oosterse print sieren de muur boven een boekenkast.

In het gebouw zit sinds 1992 een moskee. Bestuurder Abdula Arli geeft een rondleiding door deze Fatih moskee, via de praatzaal, tot in de gebedsruimte. Terug bij de trap in de hal stopt hij. Verder mogen we niet komen. „Daarboven is de afdeling voor vrouwen en kinderen”, zegt hij. „Ze volgen er in hun vrije tijd islamlessen.” Overnachten ze er ook? „Als dat kan wel, ja.”

Op de zolder van de moskee is een illegaal meisjesinternaat. Van maandag tot vrijdag overnachten er ongeveer vijftig meisjes in houten stapelbedden, dicht op elkaar. Het plafond is laag, de gordijnen zijn overdag dicht. In de ochtend gaan de meisjes naar school, de rest van de tijd brengen ze door op de bovenverdieping van de moskee, van hun twaalfde tot hun achttiende.

Weinig mensen weten dat ze er zitten. Geen enkele instantie ziet toe op hoe de meisjes er hun tijd doorbrengen. Het pand is slecht onderhouden en was jaren brandonveilig – tot augustus van dit jaar. Onder de slaapzaal is de keuken van een illegaal pizza- en shoarmarestaurant, waarvoor deze moskee geen vergunning heeft, net zomin als voor de kapper en de supermarkt.

De gemeente is al jaren van de illegale activiteiten in deze en andere moskeeën op de hoogte, blijkt uit documenten in bezit van deze krant en uit gesprekken met betrokkenen. Er is nog een legaal moskee-internaat in het westen en een in het noorden van Rotterdam, in de Iskender Pasa moskee. Volgens moskeeorganisatie SPIOR is er nog een in oprichting in het noorden van de stad. Het is niet bekend hoeveel moskee-internaten – legaal of illegaal – er landelijk zijn, maar er zijn er bijvoorbeeld twee in Arnhem, een in Utrecht, een in Breda en een in Amsterdam. Naar schatting van verblijven in Nederland 3.000 kinderen in moskee-internaten.

Ook van legale moskee-internaten, dus met een vergunning om kinderen te laten slapen, weten gemeenten vaak niet hoeveel er van zijn en hoeveel kinderen er verblijven. En al helemaal niemand controleert of de kinderen goed worden behandeld en of ze bijvoorbeeld buiten spelen. Daar gaat zo’n vergunning niet over.

Crèches, buitenschoolse opvang en schippersinternaten moeten wel aan strenge eisen voldoen van de GGD en de Inspectie jeugdzorg. Inspecteurs komen regelmatig langs, eisen een pedagogisch plan, medewerkers moeten een verklaring van goed gedrag hebben.

Voor moskee-internaten gelden alleen maar regels ten aanzien van het gebouw en als zelfs die minimale eisen niet worden nageleefd, ziet de gemeente dit door de vingers. Moskee-internaten hoeven helemaal geen pedagogisch plan te hebben, of aan andere kwaliteitseisen te voldoen. Waarom let de overheid niet op déze kinderen? En waarom wonen ze daar eigenlijk?

Op de bovenverdieping van de Iskender Pasa moskee, in Rotterdam-Noord, zit een legaal internaat. Veertien stapelbedden staan tegen de muren, recht achter elkaar. Ze zijn keurig opgemaakt, met identieke, grijze dekbedden. De blauwe tapijtvloer van de slaapzaal is schoon. Er liggen geen tassen op de grond, zelfs geen kleren. Ook de muren zijn leeg. In de hal van het trapgat hangt een bordje; ‘Reinheid is de helft van het geloof’, staat erop.

In deze zaal zouden 28 Turkse puberjongens van 12 tot 18 jaar verblijven. Overdag gaan ze naar een middelbare school, de rest van hun tijd brengen ze hier door. Vanavond zitten ze bij elkaar in de leskamer, tegenover de slaapkamer. Muisstil buigen ze zich over huiswerkoefeningen.

Heel normaal zo’n internaat, vindt Mustafa Dogan (25). Hij verblijft er al tien jaar. Eerst was hij een leerling, nu is hij een begeleider. Hij helpt de jongens met hun toekomst, zegt Dogan, terwijl hij over zijn kortgeschoren baardje wrijft. Turkse ouders brengen hun kinderen naar een internaat omdat zij die beter in staat achten hun kind te helpen met huiswerk en het geloofsonderwijs, vertelt hij. De „strakke discipline” op het internaat zorgt volgens hem voor betere schoolprestaties.

De twaalfjarige Fatih kwam hier een maand geleden. In een grijs gestreept vestje zit hij op een lage bank. Zijn vader runt de supermarkt in de moskee en heeft hem aangemeld. Fatih vindt het er gezellig, al mist hij soms zijn huis, niet ver van het internaat. „Ik heb thuis een spelcomputer en een vogel waarvan ik heel veel houd.” Maar, zegt hij meteen: „Ik ben hier voor school en om de islam te leren kennen. Dat is nummer één”. Begeleider Dogan, tegenover hem, knikt.

Ook de vijftienjarige Hamza is aangemeld door zijn vader. „Via via kende hij deze vereniging. Toen ik naar de middelbare school ging, dacht hij: dat is wel iets voor mijn zoon.” Hamza ging erheen, al woont zijn familie buiten Rotterdam. De internaatleiding heeft hem „heel erg geholpen met school”. Daarnaast weet hij nu „hoe je je moet gedragen als moslim”, zegt Hamza. „Dat je er niet als een junk moet bijlopen. En dat je niet mag oproerkraaien, of herrie schoppen.”

Als de jongens uit school komen, eten ze. Dan zijn er de verplichte huiswerklessen en een boekleesuur. Daarna doen de jongens mee aan de vaste gebeden in de moskee. Iedere dag moeten ze douchen, tanden poetsen en de bedden schoon houden, dat zijn de regels. In het weekend gaan ze naar huis. Vriendinnetjes zijn ongewenst. Als blijkt dat één van de jongens een relatie heeft, gaat Dogan met ze praten. „Dan vertel ik dat het ten koste gaat van hun studie, dat het niet verstandig is. Een vriendin lijkt mooi en prachtig, maar wij willen dat ze zich bezighouden met school.”

Kijk naar mij, zegt Dogan. Tot vorig jaar had hij nooit een vriendin. Nu is hij verloofd. „Een vrouw komt later wel.”

De schatting dat het om 3.000 kinderen zou gaan, komt van promovendus Mehmet Sahin van de Vrije Universiteit. Hij doet al jaren onderzoek naar moskee-internaten in Nederland en sprak er met kinderen, oud-leerlingen en bestuurders. Hij promoveert nu op onderzoek naar de Turkse Gülenbeweging in Nederland die tachtig studentenhuizen bezit. Eerst zaten daar ook kinderinternaten in. Daar ontstond politieke ophef over. Nu wonen er alleen nog studenten.

De huidige moskee-internaten, zegt Sahin, zijn vooral van de Süleymanci-beweging. Dat is een andere Turkse stroming, die als orthodox bekend staat en is verbonden aan de Stichting Islamitisch Centrum Nederland, met een hoofdkantoor in Utrecht. Ook de moskee in de Polderstraat behoort ertoe. De moskee met internaat in het noorden van Rotterdam is een Milli Görüs-moskee, eveneens een conservatieve Turkse stroming.

Een woordvoerder van de Stichting Islamitisch Centrum Nederland zegt niet te weten hoeveel van de 47 moskeeën van de stichting een internaat herbergen. Ook niet hoeveel kinderen er wonen: „Het varieert ook. Hoeveel kinderen er slapen, kan de volgende dag weer heel anders zijn.”

De regels in alle moskee-internaten zijn streng, zegt Sahin. De sfeer is gericht op „absolute overgave” en er is „geen ruimte voor een autonome wil”. Het komt volgens hem voor dat de kinderen tot laat in de nacht moeten bidden. Soms moeten ze om drie uur ’s nachts opstaan om te luisteren naar een preek. „Dat is geen gezonde situatie voor een kind van twaalf.”

Ouders betalen ongeveer 150 euro per maand voor het verblijf van hun kind. Ze krijgen dubbele kinderbijslag omdat hun kind buitenshuis verblijft om onderwijs te volgen, zegt Sahin. Nadat de ouders hun kind hebben aangemeld, komt de imam bij het gezin thuis voor een intakegesprek. Daarin worden de leefregels van het internaat doorgenomen. Kinderen krijgen te horen dat ze hard moeten leren en dat ze geen relatie mogen hebben.

Strenge regels in moskee-internaten worden ook bevestigd door een onderzoek uit 2010. Antropoloog Martin van Bruinesse van de Universiteit Utrecht deed toen onderzoek naar de internaten van de Gülenbeweging, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Er heerste, stelde hij, „een sterke sociale controle, en daardoor druk tot conformeren”. Er zou worden aangedrongen op „een ernstige, naar binnen gekeerde houding en het vermijden van frivool amusement”. Contacten met de andere sekse worden „ontmoedigd” en huwelijken worden bij voorkeur gesloten „met partners die binnen de beweging of met bemiddeling van de beweging worden gevonden”.

Het pedagogisch klimaat in de moskeeën is eerder ter sprake gekomen. Ahmed Marcouch, nu Tweede Kamerlid voor de PvdA, kreeg als stadsdeelvoorzitter in Amsterdam meldingen van lijfstraffen in weekendscholen. Kinderen komen er op zaterdag en zondag voor Arabische en godsdienstlessen. Ze slapen er meestal niet. Er zijn „erbarmelijke omstandigheden in stinklokalen en met een slecht pedagogisch klimaat”, zei Marcouch in een interview in dagblad Trouw.

Minister Donner (Binnenlandse Zaken, CDA) stelde vervolgens, in 2011, een onderzoek in naar het pedagogisch klimaat in de moskeeën. Dat werd door de moskeeën gedwarsboomd. Onderzoekers werden niet bij de lessen toegelaten. Donner liet daarop een algemenere studie uitvoeren, naar mishandeling van kinderen in hun sociale leefomgeving, dus ook bijvoorbeeld bij sportverenigingen.

De onderzoekers registreerden in de de eerste helft van 2011 twaalf meldingen van kindermishandeling in Den Haag, alle twaalf in moskeeën. In Rotterdam waren er in die periode vijf meldingen van kindermishandeling, waarvan drie in moskeeën in de deelgemeente Feijenoord. Niemand wil zeggen om welke moskeeën het gaat en of in deze moskeeën ook internaten zijn gevestigd.

Ook bij de GGD Rotterdam-Rijnmond is al jaren bekend dat in moskeeën kinderen slapen en er soms sprake is van „lijfstraffen”, blijkt uit interne werkmails van de dienst. Rond 2008 kwam een werkgroep, waarin ook de GGD zat, een aantal keren bijeen om te praten over de moskee-internaten. De werkgroep wilde nagaan of de kinderen in de internaten „veilig” zijn en of er „mogelijk sprake is van een extreem gedachtegoed?”.

Drie jaar later, in 2011, zijn de moskee-internaten bij de GGD opnieuw onderwerp van overleg. In een werkmail zegt de toezichthouder kinderopvang te weten dat kinderen in de moskee-internaten slapen „als ouders meer willen dan de kinderen”. Daarmee wordt de verdieping van het geloof bedoeld. „Hoe ver dit gaat weten we niet. We hebben in dat overleg ook begrepen dat soms lijfstraffen werden uitgevoerd om met name jongens op het rechte pad te houden.”

Een woordvoerder van de GGD zegt slechts van één overleg in 2011 op de hoogte te zijn. Dat ging over het internaat in de Polderstraat.

Hoewel moskee-internaten omstreden zijn, hebben gemeenten zich nooit in de materie vastgebeten.

Wethouder Hamit Karakus (ruimtelijke ordening, PvdA) weet al jaren dat in de Polderstraat een illegaal meisjesinternaat zit. Hij weet ook dat het moskeebestuur het pand niet onderhoudt en opknapt zoals afgesproken, dat het meerdere malen een grote dwangsom opgelegd heeft gekregen die nooit is betaald en dat er illegale activiteiten plaatsvinden. Het staat in een aan hem gerichte brief van de gemeentelijke Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting, van juni 2008. Een woordvoerder van de wethouder zegt dat de moskee-internaten de verantwoordelijkheid zijn van de deelgemeenten. Karakus zou de deelgemeentebesturen meermaals hebben aangespoord tot actie.

Drie jaar later, in de zomer van 2011, is de situatie in de Polderstraat onveranderd. Dan stuurt de dienst Stadsontwikkeling een notitie aan de deelgemeente Feijenoord, waar de Fatih-moskee zich bevindt. Er zijn dan behalve de stapelbedden voor ongeveer vijftig kinderen, ook nog dertig extra matrassen op zolder aangetroffen. Er stonden tientallen koffers, tassen en kleding. Er zijn een douche, een keukentje en toiletten. Het is „evident” dat er kinderen slapen, en dat dat niet mag, staat in de notitie.

Nog altijd kent het pand „ernstige vormen van achterstallig onderhoud”. En „de brandveiligheid is niet in orde”. Zo is op de begane grond „een grote doorbraak gemaakt in de brandwerende scheiding”. Kortom, de situatie is „absoluut onveilig” en gezien de slapende kinderen „zelfs gevaarlijk te noemen”.

Het dossier van de moskee in de Polderstraat „loopt al enige jaren”, staat er. De dienst Stadsontwikkeling heeft nooit een „duidelijk antwoord gekregen wat de deelgemeente wil” met het pand. Handhaven is lastig „omdat de deelgemeente niet meewerkt, vertraagt en compliceert”, staat in een ander intern stuk.

Waarom houden deelgemeenten geen toezicht op wat in de moskee-internaten gebeurt?

Harlow Brammerloo (PvdA), voorzitter van deelgemeente Noord waar de legale Iskender Pasa moskee zich bevindt, zegt aan de telefoon: „Waarom zou ik dat willen weten? Dat is de verantwoordelijkheid van de directie van het internaat zelf. En van de ouders. Die staan hun kind willens en wetens af aan het internaat.”

Hij zegt dat de situatie in het internaat veilig is voor de kinderen. Wanneer de laatste brandveiligheidscontrole is geweest, weet hij niet. Komen de kinderen wel eens buiten? Brammerloo: „Ik neem aan van wel, want ze gaan ook gewoon naar school.”

Het internaat in de Iskender Pasa moskee heeft de juiste vergunningen. Maar net als in de moskee in de Polderstraat zijn de supermarkt en het shoarmarestaurant illegaal. En ook hier werden in het gebouw „diverse grote gebreken” aangetroffen, in 2008. Het internaat was niet brandveilig, goede vluchtwegen ontbraken, blijkt uit interne stukken van de gemeente.

In 2009 werd opnieuw geconstateerd dat de jongens bij brand niet goed weg kunnen. De dienst Stedenbouw drong aan op een besluit van de deelgemeente Noord, die de vergunning had kunnen intrekken. Maar er gebeurde niets. „De deelgemeente kiest er blijkbaar voor geen uitspraak te doen”, staat in een notitie van april 2010. Tijdens een inspectie dit jaar blijkt dat het ontruimingsplan nog altijd niet in orde is. De voorzitter van de moskee, Ali Yucetas, zegt dat het internaat inmiddels een certificaat heeft van de brandweer en dat het nog „slechts een paar weken” duurt voordat het internaat een ontruimingsplan heeft.

Het blijkt een gevoelig onderwerp, moskee-internaten. De deelgemeente Feijenoord, verantwoordelijk voor het toezicht op het illegale meisjesinternaat, wil alleen schriftelijk vragen beantwoorden.

Per e-mail erkent bestuurder Turan Yazir van de deelgemeente Feijenoord dat het internaat in de Polderstraat illegaal is. Zijn bestuur en ook de voorgaande besturen wisten ervan. Bij aantreden heeft dit bestuur, schrijft hij, „direct de eis gesteld” dat het internaat „aan alle brandveiligheidseisen” voldoet. Het bestuur trad in april 2010 aan. Sinds drie maanden is het internaat volgens de deelgemeente brandveilig bevonden door de afdeling Toezicht Gebouwen.

Het moskeebestuur heeft nog altijd geen vergunning voor een internaat. Toch mag het blijven bestaan. De deelgemeente verwacht het internaat op termijn te legaliseren. Om dat te bereiken moet het bestemmingsplan worden aangepast en een vergunning worden verleend. Mogelijk moet het historische pand worden gesloopt en een geheel nieuwe moskee worden gebouwd. De Fatih moskee streeft al jaren naar een nieuw gebouw. Deelgemeentebestuurder Yazir: „Het is onpraktisch om nu alles leeg te halen en over enkele maanden weer in te richten.”

Rotterdam is geen uitzondering. Ook in Amersfoort gingen bestuurders verrassend om met illegale activiteiten in moskeeën. Ze stopten ze niet, ze legaliseerden ze. In het voorjaar van 2009 bleek, na klachten van omwonenden, dat in de zomermaanden veertig kinderen in een moskee sliepen. Het was in strijd met de gebruiksvergunning, dus illegaal. En ook dit pand was brandonveilig. De gemeente wist ervan, maar liet de kinderen er toch slapen. Er kwamen wel brandwachten.

Toen VVD-raadslid Koos Voogt er vragen over stelde, kreeg hij ruzie met de PvdA-wethouder. „Hij vond dat ik racistische vragen had gesteld”, zegt Voogt. „Hij vroeg: had je hier ook vragen over gesteld als het om een voetbalvereniging ging? Natuurlijk, zei ik, het gaat mij om de veiligheid van die kinderen.”

De wethouder maakte geen einde aan de illegale situatie. Hij gaf de moskee een vergunning, waarin overnachting van kinderen in de zomer was toegestaan.

Onderzoeker Sahin herkent het patroon. Hij zegt dat ambtenaren niet durven ingrijpen bij misstanden in moskeeën, omdat gemeentebestuur en moskee vaak nauw met elkaar zijn verweven. „Veel moskeeën hebben banden met Turkse gemeenteraadsleden, die in die moskeeën komen. Vooral PvdA-raadsleden durven niet kritisch te zijn omdat ze in de moskeeën een achterban hebben. Hun kiezers zitten daar.”

Reageren op dit verhaal kan via onderzoek@nrc.nl