Oerend hard op de hondenslee

Op huskysafari in Finland suis je door een witte sprookjeswereld. ‘De husky’s jammeren en stuiteren van ongeduld, ze willen gáán.’

Een hutkoffer vol skipakken, thermowear (zero extreme), sokken (voor min 20), onderhandschoenen, overhandschoenen, mutsen en shawls heb ik voor de gelegenheid aangeschaft. Hoe anders moeten we als verwende koukleumen de poolwind doorstaan. Een lang weekend ga ik met mijn zoons van 15 en 16 op huskysafari in Lapland: twee dagen met een hondenslee door de sneeuw. Slapen in een hut zonder elektra en stromend water. We zijn geen wintersporters en zo hebben we toch een sneeuwvakantie – maar dan anders. Mijn hondenfobie heb ik overwonnen, dus het moet lukken met die husky’s.

In een wilde bui heb ik deze reis geboekt, en vanaf dat moment zie ik enkel uit naar onze thuiskomst. In het poolgebied overleeft de mens op rendier en wodka, zo stel ik me voor. Om er als vegetarische geheelonthouder niet een koude hongerdood te sterven, neem ik voor de zekerheid twee dozijn vruchtenrepen en een kilo zoute pinda’s mee: bergbeklimmersvoer. En instant cappuccino. En kaas. En waxinelichtjes tegen de bevriezingsdood. En een geleende donsjas-met-een-dood-beest-in-de-nek.

In de wachtruimte bij de gate op Schiphol ontwaren de jongens een veertiger met een lange blonde paardenstaart, gehuld in een broek van zelfgebreide lapjes. Nee, zeggen ze in volle ernst, dat is geen hippie. Had ik niet zelf gezegd dat ik als kind al naar de Lappen wilde vanwege de kleurige kledij? Dit is geen huskytoerist maar een huiswaarts kerende Lap. Nomen est omen.

De Lappen uit mijn jeugdboeken droegen een blauw-rode tuniek en een vilten muts met vier punten. Geweldig leek het me om deze vrolijke Kerstmannen op te zoeken. Maar dat leek een onbereikbaar ideaal. Dit waren mensen van een uitzonderlijke gesteldheid, bestand tegen ongekende ontberingen in een onherbergzaam deel van de wereld. Voor ons, gewone stervelingen, was zoiets niet weggelegd.

Nu ga ik er dan toch naartoe. Naar het verre Finland, dat ik eigenlijk enkel ken van het Iittalaservies in mijn keukenkast, het songfestival (‘Finlande, huit points’) en als land met de laagste babysterfte van Europa. We vliegen naar Helsinki en daarna nog door, naar het 150 km boven de poolcirkel gelegen Kittilä. Van het Fins valt geen woord te herleiden, afgezien van ‘salmiak’, dé Finse exportlekkernij, zo blijkt in de taxfreeshops. Tot mijn verbazing zie ik op de binnenlandse vlucht elegant geklede vrouwen, klaar voor een sophisticated wintersport. Wij zijn de enigen die zijn uitgedost als voor een Noordpoolexpeditie.

Thermo-outfit

Na een lange avond in een zonovergoten sneeuwlandschap – het schemert pas laat in midzomernachtland – slapen we warm en gerieflijk in blokhuthotel Harriniva. De volgende ochtend krijgen we een complete thermo-outfit, inclusief snowboots. Onze halve hutkoffer blijkt overbodig. Milla, onze gids voor de komende twee dagen, is een stoïcijnse Finse met vlechten. Ze gaat ons voor naar de husky’s – 430 maar liefst, goed voor 90.000 kilo vers vlees per jaar. Milla leert ons de kunst van het sleebesturen. Regel 1: nooit loslaten. Regel 2: remmen indien nodig. Zo simpel is het.

Wanneer we allemaal op onze slee staan – rugzakken en koelboxen erin, elk vier husky’s ervoor – snappen we waarom het nodig is om met twee voeten op de rem te staan. De husky’s jammeren en stuiteren van ongeduld, ze willen gáán. Als we voorzichtig de rem loslaten, knallen we vooruit, balancerend op één been, het andere op de rem, overhangend om niet uit de bocht te vliegen. Hoe houd ik dit vol, vraag ik me vertwijfeld af, maar na vijf minuten worden de honden iets rustiger. De kop is eraf. Nu suizen we met een rustig gangetje door een witte sprookjeswereld. Sneeuwvlaktes omlijst door bepoederde kerstbomen, rendiersporen in de verse sneeuw, een verblindende zon aan een ijsblauwe hemel – ik waan me in de eeuwige jachtvelden. Of, zoals mijn jongste het straks zal zeggen: „Het lijkt wel of we in een schilderij zijn.”

Mijn loopse lead dog krijgt geen dagje vrijaf voor ‘being on heat’. En ook het uitwerpen van andere lichaamsoverbodigheden gebeurt on the job, althans door de honden. Alle substanties en kleuren vliegen voorbij. Het deert ze niet, ze rennen zich de poten uit het gespierde lijf.

Na anderhalf uur rusten we bij een houten tipi. Milla hakt hout en maakt een vuur. Ze tovert broodjes en worstjes voor op de barbecue tevoorschijn – voor ons de vega-variant.

Milla heeft haar acht weken oude puppy meegenomen. In een bench op de slee, om te voorkomen dat de husky’s de indringer doodbijten. Het is een Finse lappenhond, om rendieren te hoeden. Milla’s ouders hebben rendieren, vertelt ze. Hoeveel, vraag ik, denkend aan een hertenkampje in de achtertuin. Dat blijkt een impertinente vraag, alsof je vraagt naar iemands bankrekening. Wie rendieren heeft, is rijk. En nee, ze staan niet in de achtertuin maar lopen vrij in het bos. Geoormerkt. Dus mochten we er hier eentje tegenkomen, dan behoort die aan iemand toe. Vierhonderd kilometer naar het zuiden staat een groot hek. Daarachter zijn de wilde dieren. Hier niet.

Voort gaat het weer, in draf naar de volgende stop: de blokhut waar we de nacht zullen doorbrengen. We spannen de honden uit en leggen ze aan de ketting, elk op een eigen plek om vechtpartijen te voorkomen. De hut ligt aan een van de sneeuwvlaktes die we zijn overgestoken. Naar nu blijkt, waren het allemaal bevroren meren. In de zomer is de hut niet bereikbaar, vertelt Milla, er gaat geen weg naartoe. Finland moet het hebben van de koude. Uit een wak in het halve meter dikke ijs putten de jongens water. Milla maakt vuur in de hut en in de sauna. De jongens hakken bevroren vlees voor de honden en mengen het met brokken en heet saunawater voor de hondensoep. We bellen naar huis – mijn lief heeft het niet zo op kou en natuur en is, met onze eigen honden, thuis gebleven. Er is dan wel geen elektra maar wel bereik hier in Nokialand.

Dan valt er niet meer te ontkomen aan het enige ongemak op deze reis, en wel in de meest letterlijke zin van het woord. De jongens dénken er niet aan om in de outhouse in een vuilnisbak-met-piepschuimbril hun gevoeg te doen. Dan liever het bos in. Ze zakken tot hun middel in de sneeuw en komen slap van het lachen weer binnen.

Nadat alle rituelen zijn voltrokken, duiken we de sauna in. Geen elektrieke maar een authentieke. We gooien hout op het vuur en water op de gloeiende stenen. Als we zijn gaar gestoofd, rollen we de sneeuw in.

De uren vliegen voorbij – het primitieve leven in de vrieskou neemt tijd. ’s Avonds slapen we warm en wel gevoed in bij het rossige schijnsel van het houtvuur. In de nacht worden we een keer wakker van een huskyserenade.

Als de volgende middag de rondreis erop zit, zijn we teleurgesteld dat het al is afgelopen. We gaan nog eens terug – maar langer. De hutkoffer ruilen we dan in voor een weekendtasje (inclusief wc-brilbedekkers).

sundowner.nl