Iederéén heeft zoiets van...

Taalkunde

Alle talen hebben quotatieven, uitdrukkingen die citaten inleiden. Zoals ‘ik heb zoiets van’, ‘comme’ en ‘I’m like’. Irritant? Ja, maar toch vinden we de mensen die ze gebruiken aardig.

Verschrikkelijke vaagheid, taalvervuiling, zachte-sector-praat. De stoom komt veel Nederlanders uit de oren zodra ze iemand ‘ik heb zoiets van...’ horen zeggen. De uitdrukking scoort steevast hoog in taalergernis-toptienen, waarbij de bijbehorende klacht is dat je het steeds vaker hoort.

Dat laatste klopt. De ‘ik heb zoiets van’- zeggers groeien in aantal. Maar alle afkeer ten spijt worden mensen die zo praten juist aardiger ingeschat dan anderen. Het gaat hier om een wereldwijd fenomeen. Overal leiden mensen de weergave van iemands woorden of gedachten in met speciale citaataankondigers ofwel quotatieven. Het zijn dus woorden en uitdrukkingen die een direct citaat (quote in het Engels) inleiden. Bijna alle talen hebben ze, en in het Nederlands hoort bijvoorbeeld ook ‘vinden van’ erbij, en ‘denken van’ (‘hij denkt van: die is maf’). Maar wonderlijk genoeg kan ook ‘helemaal’ een quotatief zijn (‘die bakker helemaal: dít moet je proeven’), of een enkel ‘zo’ (‘en hij zo: kom nou hier, joh’), of ‘komen’ (‘meteen kwam de juf: ga jij maar de klas uit’). Soortgelijke woorden komen overal voor, en ze worden ook wereldwijd onderzocht.

Maar wie heeft er steeds zoiets van... ? Iedereen, lijkt het. De manier van zeggen is populair bij hoog, laag, jong, oud, man, vrouw, autochtoon, allochtoon, dialectspreker of standaardtaalspreker. Ook als ze het zelf niet in de gaten hebben en denken het niet te doen. “Maar het is in Nederland begonnen bij hoogopgeleide witte mannen”, zegt de taalwetenschapster dr. Ingrid van Alphen (1951) met vrolijkheid in haar stem, juist omdat er vaak gedacht wordt dat vooral meisjes en vrouwen ‘zoiets hebben van’. Zes jaar geleden al schreef Van Alphen een artikel onder de titel Ik had zoiets van: ‘doei’, en onlangs kwam er een dik boek over quotatieven uit dat ze samenstelde met een Duitse collega .

Dat boek bekijkt de zaak vanuit allerlei kanten en vooral ook vanuit allerlei talen. Uit het Engels kennen we vaak nog wel I’m like... en he’s all..., een enkeling weet van de populariteit van het Duitse und Ich so, und er so, of het Franse comme, maar ook het Pools, Japans, Russisch, Italiaans en alle Scandinavische talen doen eraan. In Israël spreken ze zelfs van de net-als-alsof-generatie: de kaze ke’ilu-generatie (kaze betekent in het Hebreeuws ongeveer ‘net als’ en ke’ilu ‘alsof’). Zoals wij de patatgeneratie hebben.

Het boek geeft verder voorbeelden van zulke citaat-markeerders uit onder meer het Noors, Japans of de Duitse gebarentaal, maar ook van uitheemsere talen zoals het Wari (uit een van de Amazonegebieden), Hausa (gesproken in een aantal Afrikaanse landen), het Lesgisch (onder andere Dagastan en Kazachstan) en het Tuvaluaans (Polynesië).

Wat is dit voor iets? Wat is er gaande? Van Alphen kan er uren met passie over praten. Op haar werkkamer bij Taalwetenschap van de Universiteit van Amsterdam schetst ze de wereld bijna als een groot theater, waarin we anderen en heel vaak ook onszelf naspelen: “Mensen praten voortdurend tegen elkaar in citaten. ‘Dus ik zeg van, en zij dacht van...’ Hele pseudodialogen houden ze. Vaak nemen ze verschillende stemmen aan, en geven ze verschillende toonhoogtepatronen aan hun zinnen. Let er maar eens op. Of het perspectief wordt gewisseld met een lichte beweging van de schouders, zoals ook in gebarentalen gebeurt.”

Bij dat hele arsenaal aan vertelmiddelen duiken de quotatieven steeds op, met quotes die heel vaak bestaan uit tamelijk stereotype zinnen. Van het type: ‘Dan denk ik van: het is me wat. Dus hij had iets van: daar gaan we weer.’ Van Alphen: “Of het zijn geen woorden, maar geluiden. Mhm. Uhuh. Duhuh. Of een paar tuttuttuh-tongkliks. Of letterlijk niets. Dan mag de luisteraar het helemaal zelf invullen: ‘Dan heb ik iets van...’.” En het rare is dat men dat soms ook snapt.

Opvallend is dat je de gedachte of de woorden die na een quotatief aangehaald worden niet goed neutraal kunt interpreteren. Bij ‘Ik had zoiets van: wat een fijne verjaardag’ denk je al snel dat het juist helemaal geen fijne verjaardag was, dat iemand dat cynisch bedoelt. Van Alphen legt dan ook een verband met het uitdrukken van emoties. Ze heeft nog een bijzondere observatie: “Het hele beleefdheidsjargon van het Nederlands is dikwijls een indicatie dat iemand kwaad is. We lekken woede via wat eigenlijk vriendelijke woorden zijn. Hallo zeg! Goeiemorgen! Dahag! Goedendag! Doei! Nou bedankt!” En die passen allemaal naadloos na een quotatief.

Zouden de emoties over dit verschijnsel zo hoog oplopen omdat het met gevoelens te maken heeft? De afkeer is vaak groot. Van Alphen heeft ontdekt dat het zelfs wordt weggecensureerd: “Balkenende is een grote ‘Als u zegt van... dan zeg ik van’-gebruiker, maar in de Handelingen van de Tweede Kamer vind je die vannen niet terug. Terwijl er opnames zijn waar je hem dus iets anders hoort zeggen.”

Maar kom op, is het echt niet vaak een kwestie van vaagheid? Van niet exact willen citeren? “Ja dat wel”, antwoordt Van Alphen, “want een citaat is nooit letterlijk. Je reconstrueert wat er gezegd is, en dat geven mensen er inderdaad mee aan.” Oké, maar past het niet ook helemaal in het rijtje bij het razend populaire ‘zeg maar’, dat door velen verafschuwd wordt? En vallen in die categorie niet evengoed woordcombinaties als ‘om het zo maar uit te drukken’, ‘een soort van’, ‘laat ik zeggen’, ‘als het ware’, en ‘of zoiets’? En het overal, van politicus tot dokter, doorgedrongen ‘aangeven’ in plaats van zeggen, of vertellen of beweren?

Dat gebruik van ‘aangeven’ (‘zoals u zelf al aangaf..’, ‘ik heb steeds aangegeven dat..’) was Van Alphen nog niet zo opgevallen, maar achteraf laat ze grimlachend weten het helaas nu ook voortdurend te horen. Toch blijft ze benadrukken dat niet vaagheid het cruciale punt is, maar voorzichtigheid en het verzachten van sensitieve onderwerpen: “Bij dat elkaar doorschuiven van woorden dat we de hele tijd doen, gebruiken we voortdurend afzwakkers. Je zegt niet: ‘Jij bent gek’, maar ‘Ik heb zoiets van: ben je nu helemaal gek geworden’. Daar horen die zeg-maars wellicht ook bij.” Dat het om gevoeligheden draait, beluisterde ze ook sterk in oudere oorlogsverhalen, in het NIOD, het instituut voor oorlogsdocumentatie. Ook oud-verzetsstrijdsters hadden in de jaren zeventig al iets van...

Waar het vandaan komt? Van Alphen: “Wij zitten nu in een fase van taalverandering en dat verklaart gelijk de weerstand van mensen. Maar dit type citeren is dus niet nieuw. Wij lopen zelfs een beetje achter bij de Afrikaanse talen. Daar is een langere orale traditie. Het draait om het delen van gevoelens en gedachten. Je verbeeldt die, laat een ander het zelf mee beleven. Daarom is dan ook de directe rede favoriet. Dus niet: ‘Hij zei dat hij ermee kapte’ maar ‘Hij zei van: ik kap ermee.’ Het past bij het entertainment en het drama van wat nu de experience society genoemd wordt, de belevingsmaatschappij. Daarin verwoorden we van alles voor elkaar, spelen het na. Daardoor lijk je het uit de eerste hand te horen. Enfin, we zitten er middenin. Er blijkt overigens ook een bovenmatig talig bewustzijn uit. Mensen denken dus wel degelijk na bij wat ze zeggen, ze wegen hun woorden.”

Met andere woorden: in quotatieven taalverloedering zien, doet de ‘ik heb zoiets van’-zeggers in allerlei talen tekort. En aangezien die vriendelijker dan anderen gevonden worden, weet ook eigenlijk iedereen dat best.

Quotatives: Cross-linguistic and cross-disciplinairy perspectives. Samengesteld door Ingrid Van Alphen en Isabelle Buchstaller. Uitgever: John Benjamins Publishing Company. € 95,-