Hier en in de VS een kiezerskloof

De Amerikaanse verkiezingen lijken op de Nederlandse: twee ideologische blokken die niet het midden zoeken maar juist polariseren, ziet Matt Steinglass.

Als de verkiezingscampagnes op gang zijn gekomen, brengen de massamedia een verhaal dat de lezers en kijkers al snel saai vinden. Dan zet een onverwacht dynamisch optreden van de underdog in het eerste televisiedebat alles op zijn kop. Een opgewonden pers voert de spanning op: welke partij zal als grootste uit de bus komen? De einduitslag is een krappe overwinning voor de partij die al steeds voorop lag in de peilingen, terwijl het electoraat en de regering scherp verdeeld blijven, en geen van beide kampen een mandaat kan claimen voor zijn agenda.

In de afgelopen twee maanden hebben de verkiezingen in de Verenigde Staten en Nederland aan bovenstaande beschrijving beantwoord. In Nederland veranderde de strijd tussen de Partij van de Arbeid en de VVD voor de tweede keer in een nek-aan-nek-race. In de Verenigde Staten is dit de derde van de laatste vier presidentsverkiezingen met een overwinningsmarge van slechts drie procent of minder. Beide landen lijken steeds meer gepolariseerd in links-rechts-blokken met een verschil van 51 tegen 49 procent.

Een gelijkelijk verdeeld electoraat is het voorspelbare resultaat als partijen hun programma’s aanpassen om in de gunst te komen van de kiezers in het centrum. Maar nu is er een diepe ideologische kloof die de bijna even grote numerieke kloof in het electoraat weerspiegelt. Republikeinen vinden Democraten anti-Amerikaanse socialisten, Democraten beschouwen Republikeinen als racisten en homofoben. Dat is een vreemde samenloop van omstandigheden. Deze situatie zou niet stabiel moeten zijn. Hoe kan er nu tegelijkertijd sprake zijn van een toenemende ideologische verdeeldheid en een aanhoudend numeriek evenwicht?

Een samenspel tussen twee factoren is verantwoordelijk voor deze schijnbare contradictie. De eerste is de indrukwekkende professionalisering van identificatie en mobilisatie van kiezers. Sinds de regering van president Bush heeft de Republikeinse partij enorme hoeveelheden individuele gegevens gebruikt, die beschikbaar kwamen dankzij de revolutie op het gebied van de informatietechnologie, om kiezers te bereiken die op de partij zouden willen stemmen. Sinds 2008 heeft de Obama-campagne daar nog een schepje bovenop gedaan door demografische informatie te combineren met gedragsanalyses die helpen kiezers te identificeren die zich misschien door de partij laten overtuigen, of die de Democraten steunen maar misschien niet stemmen. Het toenemende raffinement in het vermogen van beide partijen om kiezers te trekken resulteert waarschijnlijk in het naar elkaar toegroeien van de stempercentages, net zoals het toenemende raffinement in het voetbal uitslagen als 6-2 steeds zeldzamer maakt.

De tweede factor zijn de media. Zoals Jay Rosen, een invloedrijke mediaprofessor aan de Universiteit van New York, zegt: „Het is waar dat de media bevooroordeeld zijn, ze hebben immers een voorkeur voor het onverwachte.” De verslaggeving van een campagne voorziet in een prachtig verhaal, met als ultieme vraag wie er gaat winnen. Dit is wat in de VS bekendstaat als ‘horse-race reporting’. Het grote belang van de media bij het verslaan van een campagne is het interessant houden ervan, zodat ze lezers en kijkers kunnen trekken. ‘Racejournalistiek’ stelt de media in staat de race spannend en interessant te houden, door de invalshoek van de berichtgeving te veranderen zodra het erop begint te lijken dat de ene partij of de andere gaat winnen. Je zou verwachten dat dit effect zou zijn verwaterd door de opkomst van de sociale media, omdat de berichtgeving uit handen van elitereporters is genomen. Maar in plaats daarvan lijken zij de polarisatie juist te hebben verscherpt door mensen te belonen die extreme uitspraken doen over de tegenstander.

De krachten die hier aan het werk zijn, verdelen de bevolking in min of meer even grote groepen, terwijl ze de haat jegens de ander opkloppen. Maar als kiezers zien we de zaken niet op deze manier. We denken dat onze ideologische verschillen uit onszelf voortkomen, en we kunnen niet begrijpen hoe het mogelijk is dat de helft van de bevolking het tegenovergestelde gelooft van wat wij geloven. Wat zou mensen ertoe brengen deze partijdige animositeit op te geven? Of – als dat niet mogelijk is – wat zou de ene of de andere partij in staat stellen een beslissende overwinning te boeken? Ik ben er niet zeker van welke structurele krachten we tot onze beschikking hebben om dit te bereiken. Maar sinds deze week lijkt het erop dat zowel verkiezingsoverwinningen met de kleinst mogelijke meerderheid als ideologische conflicten de VS en Nederland in een toestand van permanente verlamming doen belanden. Ik hoop dat we daar snel iets op vinden.

Matt Steinglass is correspondent in Nederland voor de Financial Times en voor The Economist.