Eiland van wraak en ontworteling

Een vakantieparadijs is Cyprus. Verdeeld door de laatste muur van Europa. Aan beide kanten koesteren de inwoners hun verleden zoals ze hun tuinen verzorgen.

‘Als je naar de andere kant gaat, rijd dan de berg op aan de rand van ons dorp”, zegt Christina Pavlou. Ze sluit even de ogen, alsof ze het uitzicht vanaf de bergtop boven haar geboortedorp in het noorden van Cyprus dan weer voor haar ziet. De landtong van Karpas die daar in het azuurblauwe water van de Middellandse Zee stort. „De geur van pijnbomen, de hitte van de berg, vermengd met de geur van de zoute zee. Nergens anders op het eiland vind je die.” Ze pauzeert. „De geur van thuis.”

In de verhalen van de bewoners op dit verdeelde eiland is „de andere kant” nooit alleen een geografische aanduiding. De andere kant is ook de herinnering aan vroeger, de onschuld van de jeugd, tot die plots verstoord werd.

Turks-Cyprioten en Grieks-Cyprioten delen het verleden met elkaar. De onafhankelijkheid van de Britten, in 1960. De gevechten tussen gewapende milities uit beide gemeenschappen, die elkaar niet vertrouwden in de nieuwe vrijheid. De coup door Grieks-Cypriotische extremisten in 1974 die het eiland wilden zuiveren van alle Turkssprekende Cyprioten. De invasie van het Turkse leger, dat de Turkssprekende minderheid te hulp schoot en het noorden van het eiland tot de dag van vandaag bezet houdt.

De Cyprioten aan weerszijden van het eiland leggen het tijdstip van het einde van de idylle in hun herinnering op een ander moment. Voor Turks-Cyprioten bestond die idylle na de onafhankelijkheid al niet meer. Ze waren tweederangs burgers. Voor Grieks-Cyprioten als Christina Pavlou kwam het paradijs pas ten einde met de invasie van het Turkse leger in 1974. Ze was toen dertien.

We ontmoeten elkaar in haar huis in de zuidelijke havenstad Limassol, waar veel Grieks-Cyprioten terechtkwamen na hun vlucht uit het noorden. Een appartement met een balkon vol secuur verzorgde hangplanten. In hun ontwortelde levens zijn veel Grieks-Cyprioten nauwgezet in de zorg voor hun tuintjes, hoe klein ook. Ze verzorgt haar planten zoals ze haar herinneringen koestert. „Ik houd van tuinieren. Aan de andere kant hadden we een prachtige tuin, met tomaten, paprika’s, courgettes. En de citroenboom die mijn vader plantte. Een citroenboom aan de ene kant en een sinaasappelboom aan de andere kant, gebroederlijk aan elkaar gebonden.”

De planten brengen haar terug naar haar geboortegrond. Zo gauw ze de vegetatie aan de andere kant weer voor zich ziet, komen ook de tranen. „We leefden heel vredig met de Turks-Cyprioten. Mijn ouders hadden een katoenplantage en ze verbouwden tabak. De Turks-Cyprioten werkten voor ons. Maar we waren vriendelijk voor ze. Als zij hun religieuze feestdag vierden, bakte mijn moeder brood voor ze.”

Dat de werkelijkheid niet klopt met haar herinnering, weet Christina Pavlou inmiddels ook. In de jaren voor de invasie waren in haar dorp vijf Turks-Cyprioten vermoord door Grieks-Cyprioten. De dag van de invasie van het Turkse leger was het moment van wraak. „Er reden bussen door het dorp. De Grieks-Cyprioten vertrokken toen ze hoorden dat er aan deze kant van het eiland Turks-Cypriotische milities bezig waren met moorden en verkrachten. Mijn vader vond het niet nodig om weg te gaan. Hij zei: we hebben ze nooit iets misdaan. Het probleem waait vanzelf wel over.”

Het probleem waaide niet over. Het gezin Pavlou moest zich melden bij de commandant van het Turkse leger. Moeder en dochter mochten na een kort verhoor gaan. Vader en broer bleven achter. „We houden ze drie dagen hier. Daarna sturen we ze naar huis.”

De soldaten namen de vrouwen mee naar een huis in een naburig dorp. Daar wachtte Christina met haar moeder een jaar op de terugkeer van haar vader en broer. Ze kwamen nooit. „Een jaar lang sliep ik nooit in een bed. We zaten achter de gebarricadeerde voordeur. Bij ieder geluid buiten dachten we dat de soldaten zouden komen. Voor de ramen hadden we gaas gespannen. De soldaten bekogelden ons huis met stenen. Ze lieten ons geen moment met rust. Nu moesten wij voor de Turks-Cyprioten werken. Nu waren wij hun slaven. Toen ze in het andere dorp de meisjes begonnen te verkrachten, werden we bang.” Dat was het moment dat Christina besloot naar de hoofdstad Nicosia te vluchten. Haar moeder liet ze achter, die bleef nog anderhalf jaar lang vergeefs wachten op haar echtgenoot en haar kind.

Christina is een keer terug geweest naar haar geboortedorp. Dat was in 2003, toen de bewoners van het eiland toestemming kregen om de bufferzone over te steken die de TurksCyprioten en Grieks-Cyprioten van elkaar scheidt. Op zeven plekken op het eiland kunnen ze nu oversteken. Maar de meesten kiezen er voor om aan hun eigen kant van het eiland te blijven, een zelfgekozen ballingschap. Angstig voor de ander, en voor de confrontatie met de verloren jeugd. De scheiding in Cyprus zit in het hoofd.

Christina ging terug om nog een keer de tuin van haar vader te kunnen zien. In het dorp wonen nu alleen Turks-Cyprioten. De tuin is een veld van onkruid. De citroenboom en de sinaasappelboom zijn verdwenen. Met wortel en al.