Een sterke motor en een harde kop

Jan Blokhuijsen volgt zijn eigen weg naar de top. Tweede achter ploeggenoot Sven Kramer, zoals vrijdag in Thialf, is niet genoeg. „Ik ga een grote stap zetten.”

Blokhuijsen, gisteren in Thialf: „Dit leven betekent niet dat je een domme jongen bent.” Foto Eric Brinkhorst

Er zijn van die momenten dat alles klopt, constateert Jan Blokhuijsen zelfverzekerd op het zonovergoten terras van het TVM-hotel in het Zuid-Duitse Ruhpolding. Uitstekende zomer achter de rug, heerlijk trainingskamp in Inzell, snelle trainingstijden. Is de op een na beste allroundschaatser ter wereld klaar om dit seizoen de laatste stap te maken naar winst? „Het gevecht naar de eerste plaats toe is heel mooi. Maar op een gegeven moment moet er gewoon gewonnen worden.”

Terwijl Blokhuijsen zijn ambitie uitspreekt, loopt net ploeggenoot en concurrent Sven Kramer achter hem langs. „Inderdaad”, roept de regerend Europees en wereldkampioen gekscherend. De nummer twee van het EK en WK verblikt of verbloost niet. „Ja, het staat in de planning om te winnen. Zo snel mogelijk. Ik denk dat ik dit jaar een grote stap ga zetten. Ik groei langzaam toen naar de beste jaren van mijn leven.”

Blokhuijsen (23) naderde Kramer (26) vorig jaar bij de WK allround in Moskou al tot minder dan 0,3 punt. Tegenover de vlekkeloze zomer van de runner-up stond opnieuw blessureleed voor de nummer één, die door knie- en rugkwetsuren aangepast moest trainen. „Er zat bij TVM nooit iemand zo dicht op Kramer als ik nu”, stelt Blokhuijsen. Al moest hij vrijdag bij de NK afstanden zijn ploeggenoot in de laatste drie ronden toch weer laten voorgaan. „Je moet puur naar jezelf kijken, dat is de enig juiste benadering. Ik wil een grote sprong maken als allrounder, en op de vijf kilometer en de 1.500 meter. Ook met het oog op Sotsji.”

Naar jezelf kijken, het is een uitzonderlijke kwaliteit van de schaatser uit het West-Friese Zuid-Scharwoude. „Een van mijn sterkste punten is dat ik goed naar mijn lichaam kan luisteren. Ik voel aan wat ik kan, dat heb ik de laatste jaren echt geleerd. Als topsporter moet je rijpen. Kijk naar Bob de Jong. Aparte vent, maar hij is wel heel zuinig op zijn lichaam. Dan kun je blijkbaar zelfs op je 35ste nog verbeteren.”

Blokhuijsen werd door schade en schande wijs na zijn wereldtitel bij de junioren in 2008. „Ik verwachtte aanbiedingen van sponsorploegen, maar die bleven uit. Alleen VPZ, een ploegje voor mensen die de top niet haalden. Ik besloot nog een jaar bij de bond te blijven maar reed toen bijna achteruit. Ik was opgeblazen, groot, zat niet goed in mijn vel. Dat was een eyeopener. Als je bij de junioren wereldkampioen wordt, begint het pas. Je bent nog niets. Na dat jaar kwam er weer een telefoon van VPZ. Toen heb ik het wel gedaan. Die zomer heb ik grote stappen gezet.”

Oud-bondscoach Ab Krook, destijds adviseur bij VPZ, sloeg steil achterover van zijn trainingsijver. „Ik heb er een sterke motor inzitten en een harde kop. Ik kan veel arbeid aan, ben niet van dat voorzichtige, vind het lekker om hard te trainen. Maar techniek is belangrijker. Ik heb dat jaar een switch gemaakt in focus. Steeds opnieuw precies weten met welk doel je het ijs op gaat. Van een semiprof naar echte prof.”

De buitenwacht twijfelde toen hij in 2010 overstapte naar de ploeg van kopman Kramer. „Mensen riepen dat ik niet moest kiezen voor het geld, dat ik zou ondersneeuwen bij toppers van TVM. Maar daar ben je zelf bij. Je maakt altijd eigen keuzes, stippelt zelf een route uit. En ik krijg binnen de ploeg ook ruimte om mijn eigen dingen te doen.”

Zoals? „Bij VPZ ben ik voor het eerst structureel vitamines gaan nemen, onder begeleiding van Dirk Zouterwelle van BG (Bewust Gezond)-Sports. Dat werkt goed voor mij, ik vertrouw er op. Anderen bij TVM hebben er vanaf gezien, ik niet. Uiteindelijk gaat het hier om de benzine die je erin gooit, dat bepaalt toch hoe de motor loopt.” Als enige bij TVM trainde Blokhuijsen afgelopen zomer met de nationale shorttrackploeg van Jeroen Otter. „Leuk en onwijs functioneel.”

Het programma van coach Gerard Kemkers en de inbreng van assistent Bart Veldkamp leverden hem als allrounder de doorbraak op naar de wereldtop. Hij besloot na afgelopen seizoen tot en met Sotsji bij TVM te blijven, hoewel Veldkamp het veld moest ruimen. „Daar baalde ik in het begin heel erg van. Ik had een goede klik met hem, dat was mede waarom ik zo goed ging. Maar dat gat is goed opgevuld door Rutger Tijssen, die in dezelfde lijn denkt.”

Klakkeloos achter een trainer aanlopen is sowieso niet aan hem besteed. „Als je wat jonger bent, vertrouw je heel erg op een trainer. Je doet wat er van je wordt gevraagd. Maar na een paar jaar ga je zelf nadenken. Hij zegt dit wel, maar ik voel het anders. Je bent uiteindelijk verantwoordelijk voor je eigen ontwikkeling. Je moet zelf weten wat je kan en hoe je dat wil bereiken.”

Blokhuijsen denkt terug aan zijn moeder, die twaalf jaar geleden aan kanker overleed. „Dan leer je al jong omgaan met tegenslag en dat je zelf verantwoordelijk bent voor dingen. Op een gegeven ogenblik ga je zelf op de fiets naar Medemblik naar de skeelertraining, met je rugzak achterop en ’s avonds weer terug. Dat is waar ik vandaan kom.”

„Je leert knokken, in die zin is het me nooit komen aanwaaien. Ik heb er ook altijd voor geleefd, de kansen die er waren heb ik gepakt. Die blijf ik pakken. Als ik iets wil moet ík het doen. Mijn vader had een drukke baan maar heeft er wel voor gezorgd dat ik mijn sport kon bedrijven. Net als mijn broertje en zus kon ik niet altijd het nieuwste van het nieuwste krijgen. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom of de intrinsieke drive er is. Dat jij het hardst trapt of het hardst schaatst. Dat zal je toch zelf moeten doen.”

„Ik heb van beide ouders een goede fysiek meegekregen, een prachtige opvoeding gehad. Maar ik heb ook mijn moeder helemaal zien verkankeren. Ze bleef tot het bittere einde bij ons. Puur voor ons, niet voor haarzelf. Dat vormt je, dat neem je mee. Niet opgeven. Tot het bittere eind door vechten. Dat is wel mooi om aan terug te denken. Het sterkt je gewoon.”

„Ik ben nu 23, bijna de helft van mijn leven zonder mijn moeder. Het leven gaat door, dat is ook wat ze tegen ons heeft gezegd. Ze zei: ‘Uiteindelijk gaat het altijd om jezelf, of jij happy met jezelf bent, of jij achter de dingen staat die je doet’. Daar ben ik het heel erg mee eens. Ik ben ook op de goede weg. Ik doe iets wat ik gewoon geweldig vind. Ik zit in een hartstikke lekker flow. Wie doet me wat?”

Al begrijpt hij best dat anderen soms twijfels zetten bij zijn leven als topsporter. „Je bent tot op heel hoog niveau met jezelf bezig. Je moet ook egoïstisch zijn. Niet van: krijg allemaal de tering maar. Maar je bent constant bezig met je eigen welzijn. Mijn broertje snapt er niks van als hij ziet hoe ik met mijn voeding bezig ben. ‘Jezus gast’, zegt hij. ‘Dat is toch normaal man’, roep ik dan.”

Soms voelt hij zich een „zeikerd” als hij niet met zijn vader meegaat om een tocht te schaatsen, zoals vroeger. „Dan zeg ik dat ik het hele jaar al schaats en het slecht kan zijn voor mijn materiaal.” Monotoon, het leven als langebaanschaatser? „Je hebt de keuze al gemaakt, je gaat er vol voor of niet.” En daarbij: wie verbiedt hem boeken te lezen over zijn hobby geschiedenis, of te filosoferen over de tactiek van het Duitse leger in de oorlog? „Dit leven betekent niet dat je een domme jongen bent.”

Blokhuijsen verheugt zich op het seizoen. „Ik vind het prachtig mijn eigen grenzen te verleggen en beter te worden. Of ik er nou miljoenen mee verdien of niet, maakt me geen reet uit. Ik hoop wel ergens een gouden medaille omgehangen te krijgen, liefst op de Spelen. Dat is de droom van iedere schaatser.”